MIJN handen zijn zoo heet --
mijn oogen branden zoo moe
diep in mijn hoofd, ik weet
niets meer, ik ben zoo moe.

Er zijn stemmen op straat,
wind en hemellicht --
om me is droog gepraat,
mijn gehoor zwicht.

En er is niets in mij over
dan het arme hongrig' verlang --
ik heb het zoo lang, zoo lang,
het wil niet meer over.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.