'S NACHTS dan is 't leven haar zoo hel en roode,
dan waaien rozeblaan door 't roode helle
zwartfonkelend ommuurde, het plasroode
kamertje en springen plasbloedwellen.

Als rozeknoppen dik voelt ze dan zwellen
geloken oogen, bloedig frissche roode,
haar hoofdje zoo bloemerig als roode bellen
van rozen aan een rozeboom zoo rood, zoo roode

Des morgens als ze waakt heeft ze nog over
verlangen dat het altijd was en nimmer over.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.