LAAT ik nu denken hoe dat alles was,
gaat toch niet voorbij, mijn gedachten, zoo ras,
en schoone blanke stem blijft in 't zwart duister staan
wil toch niet zoo ijlings van mij weggaan.

't Was buiten de stad in de kou
van water en wei, erg rauw
blies de wind het laag land over, de boeren sliepen,
de stad was verlicht waar de wakkere menschen liepen.

De wolken weenden soms, verder
gingen ze, zonder herder
van zelve als menschen doen
die doelloos, aarzelend spoen.

Zwart glansden mijne oogen,
mijn mond werd zwart in 't droogen,
fijn spikkelden druppels neer
op 't drooge lippenbegeer.

Zacht druppelden neer de teere
nachtdruppels die dorst vermeeren,
de zwarte nevelvlam
sloeg om me stil en klam
onder de wolken zwart van glans,
beglommen alsof het de schans
geharnast was van de aarde
die ze bewaarde.

Toen heb ik me stil neergezet
aan den wegrand en met
mijn oogen heb ik de stad aangekeken
die deed de lucht verbleeken,
die deed de lucht verbleeken
en de oogen schrikken,
de stad lag daar stil te branden,
het leek wel een groote warande
buiten als 't zomer is,
het donker in bosschen is.

Ik begon toen stil te rillen
en in me bang voor mijn gillen
te worden dat ik ging doen,
ik kon het niet houden toen.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.