IK proefde de lauwe luchten
en de geduchte, de verschrikklijk geduchte
maar stille heel kalme klanken --
zelf niet hollen ze, niet wanken.

En het lichten ook stil, van zelve,
en de doode nachten, de welven
die stil aan nederzegen
op mij zoo jong zoo stil neergelegen.

O in me was het grijpen,
het nooit rijpen,
het willen, het brijzelend willen --
o en het rillen, het rillen
weg, ver weg -- maar het kalm leven
en stillen schijn geven,
het lichten als van de dagen,
dagen als oogen zagen
dalen dalen als hallezalen,
van boven beschenen gelijkelijk
door het stil oogenblikkelijk.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.