IK zat toen heel stil te werken,
de boeken waren als zerken
voor me, ik wist wel wat
elk graf in zich had.

Mijn lijf zat daar in een kamer,
boomtakken voor het raam er
heenkropen en weer, vervelend,
met groene bladen al geelend.

Mijn oogen zagen verwonderd
naar 't buitenlicht, maar zonder 't
zelf te weten wat of
hun licht oppervlak trof.

0 mijn hart was toen zoo hongerig,
zoo angstig en zoo verlangerig,
zoo droog en het regende niet,
en elke dag ging te niet.

Ik zat in die lichte dagen --
mijn hart hield nooit op te jagen --
ik zat te zien en te werken,
alles was m' als doodzerken.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.