IK zat eens heel alleen te spelen
op een gedachteharp, de kelen
van schemering en duisternis om mij
fluisterden liedjes, het leek tooverij.

Mijn vingers en mijn oogen teeder gleeden
langs gele snaren, boven en beneden
bleven ze langer, want ik wist niet wat
ver achter in gedachtevlakte zat.

Een kinderbeeldje, dat is òpgerezen
zwierig in haar gewaad, ze had te lezen
gezeten in haar vreemd gedachtenboek,
nu stond ze in een geelen rimpeldoek.

Nu kwam ze dichter bij, we zijn gekomen
midden ter vlakte onder heel wat boomen,
we spraken niet, want boven zei de wind
al mijn gedachten en die van het kind.

Maar te dansen zijn we wel gegaan,
heen en weer, op en neer, een lange baan
van luchtige passen, voeten beurteling
omhoog, omlaag, als rozenbuiteling.

Te dansen zooals twee rozen gaan,
rozeroode rozen tusschen groene blaan
samen gesproten van uit ééne steel,
twee windewiegelingen, geen geheel
maar altijd twee, hoewel ze ongescheiden
het leven doordansen met hun roode beiden.

Zoo dansten wij, mijn vingers scholen in
't geelglimmende fluweel, een diepen zin
voelden ze daar van 't levende dat edel
in 't gele woonde, en de windevedel
blies uit een adem van een gele stof
zooals een zonneschijn in bloemehof

Wij zeiden altijd niets maar sprongen om ons om --
haar gouden oogen fonkelden, haar lippen bleven stom --
de wind zei al gedachten, en de dansemaat,
die fonkelde in diamant op haar gelaat.

Maar eind'lijk zei ze goeien dag en is weer weggegaan,
op hare lippen danste lach, haar kleed was als de maan
zoo flikkerend om 't dansend lijf, zoo sprong ze heel, heel ver,
zooals de gouden maan eerst, toen zooals de gouden ster.

Ik ben zooals een oosterster, zij tintelt in het westen,
wij twee'n vogels weten wel de takken onzer nesten,
wij komen nog wel weer te saam, is het niet, is het niet,
dansende liefste, liefste, liefste, op windelied?

Maar onderwijl zit ik te spelen
op een gedachteharp, de kelen
van schemering en duisternis om mij
fluisteren liedjes, het lijkt tooverij.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.