DAT kouwe vleesch van een ander
Tegen m'n drooge handen
en mijn oogen onzichtbaar in den nacht --
dat koele sappige vleesch -- en al de kracht
van me den nacht in -- 't is als dood,
alles zwart, geen wit, geen rood --
mijn heele hoofd lijkt wel koel,
er is nergens een doel --
zoo lekker zwart is de nacht,
zonder oogen, zonder gedacht,
dat natte nachtbad,
dat verdronkene, dat daggat,
dat rondom dauwig gevoel,
mijn hoofd is zoo lekker koel.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.