0 ALS de zon schijnt
en de aard wegkwijnt
in dien luister,
weg in 't duister,
en maar scheem'rend het hoofd
opheft in schauw omloofd --
treed nader, treed nader,
blankvoeten te gader,
te gader de voeten, de handen --
de lachtande
de blauwooge
de blondhooge,
de zilverwoorden weenende,
het lijnig hoofd leenende
achterover omhoog in de lucht --
zoet, zoet, langzaam vlucht
door het zonnedagen
in de hooge hagen
zon -- zoet zoet langzaam vlucht,
ga niet te gauw voorbij, voorbij, voorbij, de lucht
blijft hangende bevende achter u --
verlangende eeuwig naar u,
eeuwig, eeuwig, -- vlucht niet te vlug --
achter uw rug
rek ik de armen
van verlangen, van verlangen
rek ik de armen,
vlucht niet te vlug.

0 hoe blank zijt gij van rug,
zongebrand, uitgeglansd vleesch --
waar het tot schouder oprees,
waar de lichte haren
in trillende snaren
in de zonnescharen
hangen saam in de lucht,
in de lucht in de lucht
terwijl gij vlucht.

0 als de zon schijnt
en de aard wegkwijnt
wèg in het duister --
en dan wèg de luister,
uwe luister,
alle luister.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.