0 KOELE zwarte ademen van den nacht,
stil vlietende kannen van wijnzwart gebracht
in haar rouwvingeren slepend zoo zacht --
gaat lavende tot waar mijn liefste wacht.
Ziet ge het flonkerend zware roode
wijnvocht de kan uit, de roodgoude,
vallen dwars door den zwarten nacht,
dat is de sombere roode oude
opgegravene bloedenddoode
wijn in de nachthand hier gebracht.
0 mijn liefste laten we drinken
samen het rood, als zee'pinken
dwalen naar huis die de vischvangst doen --
samen diep door het duister zinken
tusschen de huizen die donker weerklinken
of ze binnen ons stappen nadoen.
Die huizen die zijn wel volgeladen
stille lichtmenschen die zich te raden
woorden geven en lachen stil --
wij loopen saam door het duister te baden
boordevol vol van de donkere zaden
vreugde die straks hoog groeien wil.

Geele gelaten kijken van menschen
achter de ramen en gaan dan grijnzen
om ons twee'n die strompelen voort --
hoeren om hoeken den mond vol wenschen
loeren, en ruggen van mannen deinzen
mee in de straatstroom goudgeboord.

Onze gesloten oogen gaan --
langs onze oogen de golven gaan,
duistere lucht --
wij zijn twee visschen die gaan bewonen
diepbegraven zwarte zeeholen
zonder gerucht.

In de zwarte stad
in de steenkole stad
in de stad gestegen van metaal,
daar heb ik een zaal
zwart gebrand -- rood van minne,
daar brandt geel licht van binnen.

De leege wanden staan rondom,
gevallen fluweel, daar vouwen zich om
de stille plooien verrukkend --
dan gaan daar rukkend
de roodgouden lichten door --
wij oogend staan daarvoor --
en wandelen zuchtend.

Als stompe huizen gelicht geraamd,
waar het weerlicht in vlamt
zoo zijn onze wanden daar --
als groote vrouwen met vallend haar
staan de hoeken omhoog en houden verzaamd
het zachtfloerse zaalgeraamt.
Daar staan we en houden stil,
we raken elkaar met geril
en kijken al rondom ons --
in ons is gegons,
ver buiten gonst ook de stad
somber en mat.

Maar groote vlambloemen gaan beginnen
in uwe handen te wieglen van minne --
uw haren rijzen als een vlam,
uw wangen zijn vuurvloeiend, lichtklam --
o doe in mij vergaan
dat vlammend beraan.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.