ONZ' hoofden weenen en zijn genegen
tegen elkaar, ze weenen en weenen.

Het licht spint binnen zijne laatste wade,
die hebben we om, de afscheidswade.

Blinkend zwerven de glimmerlichten,
en al de dingen zijn aan het bezinnen.

Het licht is binnen aan het oogenblikken
en al de dingen zijn aan het lichtdrinken.

Streelende spreekt het licht, zweemende fleemen
zijn blinkende lippen bij het afscheid nemen.

Onz' hoofden weenen, armen overbruggen
onz' schouders, stil staan onze ruggen.

Het lichteleger trekt nu stappend henen,
ritsellicht in de laatste deze en gene.

Onz' hoofden zijn genege' en weenen
tegen elkaar, ze weenen, weenen, weenen.

Het licht zegt onze tranen goeden dag
omkijkend, ze weerglimmen dag.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.