TOEN bliezen de poortwachters op gouden horens,
buiten daar spartelde het licht op 't ijs,
oen fonkelden de hooge boometorens,
blinkende sloeg de Oostewind de zeis.

Uw voeten schopten omhoog het witte sneeuwsel,
uw oogen brandden de blauwe hemellucht,
uw haren waren een goudgespannen weefsel,
uw zwierende handen een roôvogelvlucht.

De oogen in u die fonkenden jong-goude,
het bloed in u vloog wentel-roowiekend om,
de oogen der lucht die antwoordden zoo goude,
boven dreven ijsschuimwolken om.

IJskoud was het -- lagen de waters bezijen
klinkklaar van ijs niet, spiegelend onder zon,
schreeuwde het heete licht niet bij 't overglijen,
omdat het snelvoetig de kou niet lijden kon.

De bolle blauwwangige lucht blies in zijn gouden
horenen omgespannen met zijn vuist --
de lucht kon 't wijd weerklinken niet meer houden,
berstte en brak en blauwe sneeuw vloog vergruisd.

De wereld was een blauwe en witte zale,
daar stond een sneeuwbed tintelsneeuw midde' in,
uw goudhoofd naar zwaanveeren ging te dalen --
lachende laagt ge, over het veld, handblanke, blanktande, trantele koningin.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.