IK had zoo lang rondgeloopen,
de uren waren voorbij gekropen,
en de lichte dagen
die mijn oogen zagen
en de zwarte nachten
die mijn leven ombrachten --
en door de stad ben ik gegaan
langs de steenhuizen tot aan
haar -- o toen heeft haar stem geklonken.

Eerst zacht, toen luider en luider,
als de wind die uit het zuid'er
opsteekt -- mijn hart doet pijn,
betraand mijn oogenschijn.

O ik verlangde om niets meer te zijn,
niets meer dan haar en mijn
zelf heel weg te laten
om in die zachte maten
over te gaan van haar,
op te leven met haar
stem en weer neer te zinken --
haar stem deed zoo om me klinken --
die kwam in 't ruischen van haar haar
in 't schijnen van haar oogen waar
ze teer lichtroode is --
haar arrem is
zooals een boom omhoog gegroeid
tot haar gezicht dat als een bloem uitbloeit.

De dag ging en ook het zonnelicht
van haar gezicht,
ik zat als een pelgrim bij
een boom en zij boven mij.

In de stilte van haren avend
lag ik als een schip gehavend,
mijn hart deed een beetje pijn.

Nog altijd kan ik 't niet zeggen,
mijn arme verlangen niet zeggen,
mijn leegte en mijn begeer
grooter en meer en meer.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.