EEN roode roos is in mijn hand
zie hoe puur
elk blad brandt,
nu is vol vuur
elk mijner oogen, mijn hoofd verbrandt.

O dof karmijn
bevroren wijn
uitslaand plots in roode vlammen
en vuurrood bloed
fonteinen gloed,
gebroken uit de hartedammen.

Ik kan staren en al uw licht vergaren,
ik kan liggen neder, 'n geblazen veder,
hijgend, hijgend om u,
ik kan mij wasschen diep in plassen,
ik kan hoog opdrinken uw hoog uitblinken,
uw vlammen luw.

Een roode roos staat voor mijn slaap
zie hoe somber,
bloed in mijn slaap,
een droom als amber,
in roode zeedroom, ik blanker kaap.

O droevig klotsen
en somberder botsen
rondom mijn droomenden voet --
o bloemfontein van rouw,
roerlooze droom van vrouw,
witschitter en somber als roet.

Ik kan droomen van 't bij u komen
ik kan weenen, bij u verschenen,
gij zijt zoo rood in mijn ziel --
gij zijt mijn gloênde, mijn eeuwig woênde
vulkaan waarin ik viel.

Dood, o dood,
sombere, somber geronnen rood,
kom, o kom.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.