IK liep 's avonds door mijne stad,
Het water zwartvloerig, elk huis had
zich van boven tot onder met rouw behangen,
dat was zoo mijn verlangen.

En voor alle ramen zaten
mijn onderdanen naar me te zien,
ze hadden het donker gelaten
om me te beter te kunnen zien.

En midden op een plein
wou ik alleen zijn,
ik heb mijn herauten verzonden
naar alle ronde.

Den roode hoorde ik zingen
veraf en met zijn zwingen
karmijnrood kleppren hard,
het roode was nu zwart.

En er sloeg een zwarte brand uit
veraf, de vlam stak zijn hand uit,
daar was een vrouwegeschreeuw,
woorden als vonken sneeuw.

Ik zat eenzaam te kijken
uit het donker naar het prijken
der vlam en het deed me zeer,
langzaam kwam 't donker weer.

En waar de gele was gegaan,
verscheen hij hoog als de geele maan,
de huizen en al de daken
zwart bij het geel afstaken.

De huizen kregen een valschen schijn
van schoonheid of ze van ebbenhout zijn
met lijsten vlammend van goud,
ivoren balken geel en oud.

En vrouwen kwamen uitsteken
het hoofd uit ramen, ze keken
en spraken wat woordjes fijn
en valsch zooals munten zijn.

En mannen kwamen met koppen
vooruit uit de stedesloppen,
het roode dikke werd geel,
zeien woorden zwart en veel.

Ik zat heel stil en recht,
mijn onderdanen zijn slecht,
dacht ik, ik ben alleen --
ik voelde me trotsch en tevreên.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.