SAMEN te loopen tusschen breede zeeën
en landeilanden als wij samen deeën,
samen te eten van de grijze lucht --
en aldoor door dat éénzelfde en geducht
uitgaan te voelen tot elkander heen
en niets te zeggen, arme menschentwee'n,
wel naast elkander maar toch gansch alleen,
uw handen naast mij op en neer zien gaan
en uwe oogen in het opwaarts gaan
over mij voelen -- hoor de breede zee
wellend en komend met een zelfde tree.

Wacht maar naar de winternachten
al wat in mijn gedachten
weenende zit mijn kind,
o mijn bleek meisje ge vindt
het in de stille mistezeeën,
treed dan binnen die winterweeën,
zwem er als zilvervisch,
waad er wijdarmig, er is
zilveren licht wel hier en ginder,
daar komt een adem, een wind er
blaast er een open meer,
daar vlamt het gouden begeer
van vlammen omhoog,
daar is een boog
vast in den nevelmuur,
en in het winternachtuur
groeit langs de nisse loovervlam.

Zit daar dan neer en sla uw klam
tranengewaad dicht om uw leden
uw bloemronde, natwitte leden.

Wiegelend komen in een rij
schouderezinkend, stemmezinkend,
schoudererijzend, stemmerijzend
teere lichtwezens naderbij.

Ze lachen met handen op en neer,
trillende voeten slaan het teer
luchtgenevel om ze heen,
vonken zilver spat om het been,
oogen blinken in het verlichten
in doorzichtige aangezichten.

Ze dragen bekers en schalen
vol met een drank van verhalen
bobblend van stemmelucht,
het water kookt en zucht,
ge drinkt het, dat is een troost,
en mijn gedachtenkroost
danst als het u ziet lachen --
kan het niet stil verdragen,
springt bij u op uw knie,
hun moedertje weet wel wie
't lachen gezonden heeft,
hun mond aan haar ooren beeft.

Dit is een dronk die doet ook klinken,
binnen het hoofd van haar die drinken
doet de teere windeschaal,
wiegelend windeverhaal
wuift de blikken heen en weer,
langzamer, langzamer, teer
vallen de oogen dicht,
daar ligt het wicht.

Een bleeke vrouw in een mistnacht,
een van de kinderen wischt zacht
tranen nog weg,
ze gaan alle weg.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.