SCHADUWEN wand'len in haar oogezalen,
langzame traag heengaande wadedroomen,
om haren hals in 't haar schaduwe' opale.

En lichte blauwe en roode tinten zoomen
de bleekgesluierde gekante mouwen,
't geschulpte open op haar borst, de roome, --
en langzaam stijgen uit de donkere rouwe
van 't duister, hooge heuvelrondingen
zooals de heuvels 's avonds te aanschouwen,
en traag verzinkt in doode zinkingen
de hooge borst en buik, wanneer de schouwe
rookadem weer verlaat in windingen.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.