ER was toen sneeuw op 't mos,
daarop lag ze los --
Haar lippen nat en open,
de oogen nat en open.

Haar hand tikte den grond,
het trage vingerwit,
haar schouders gingen rond,
in blauw op het sneeuwwit.

d' Oogen beneden mij
paarlig ovale --
Ze leek een stuk van mij
uit mij verdwalen.

Nu schijnt de zon op straat,
daar schreeuwt een mensch op straat,
er is klaterend karregeratel
in de domm'lende verte.

't Klare kamerlichtgeklater
met 't lampgoud, 't boekroodgesterte.
Wakker òpdroomt wat er staat
met 't rustig glimmeubelgelaat

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.