'k HEB mijn oor tegen zooveel stemklokken geleend,
mijn mond is door zooveel winden gegaan,
ik heb toch zooveel lachen meegemeend,
bij toch zoo heel veel dingen heb ik stilgestaan --
tot ik bij u kwam, o mijn schitterlief,
mijn edelsteenhand, u mijn oogelief,
mijn vonkend rad, mijn vogel vliegend vuur,
mijn schitterlief van altijddoore duur --
en tot de wereld die zoo in mij was
verzameld vroeger als in spiegelglas,
werd gij -- ik heb het alles opgehoopt
tot u, het is in u gedoopt
als brandend hout in vuur,
o mijn licht schitterlief van altijdduur --
zijt gij daardoor misschien zoo opgeblonken,
liefdesherinnering tesaam gezonken? --
ik sta rondom u als een vaste muur,
en samen spele, uw licht en mijn getuur.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.