MIJN grijze tintelreine
mijn witte streelefijne
met hoog van omhoog gezwier
van uw handekens, schier
het vlerkegezwaai van vogeltjes,
het omkomen van wiekmolentjes,
ze veeren zoo fraai door de lucht,
mijn oor hoort geheel geen gerucht,
en uw wangen glijden aan
en uw lippen staan saam aan
beweegloos rood
en in eens daar vlood
een koel rond woordegespreek van ze,
woorden zoo koel als ronde hande'
die zich neerleggen in de mijne,
de volle bloedige, bloemefijne --
het kwam tegen me aan
tegen mijn ooren aan
koelgeblaze -- arefijne,
vlaggeroode -- vlaggekwijne.


 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.