TOEN zag ik je --
Er was toen veel licht,
de kamer was een bloem die dicht
in eens open uit gaat schijnen,
het licht vloog rond in lijnen.

Ik was heel stil en ik dacht niet veel,
ge hebt gekeken en heel
mijn hoofd is wijd opengewaaid,
zooals 's zomers opengelaaid
boven op een wijd, wijd land,
in een wijd wereldsch open land --
zoo was ik eens in die kamer
in die roode gouddoorlijnde kamer
waar het gasgoudlicht doorvloog op vleugels
vleugslaande wegslaande roeivleugels
in de teere lucht,
in de bevende lucht,
in de lucht die vlucht als je doorgaat --
hoor hoor hoor o ik hoor het,
je teer droog keelstemmetje spreken,
omhoog en wat lager spreken
vlak voor me, ik rook je teer vleesch,
je uitschijnend stillevend vleesch,
ik stikte in je oogenkijken
in dat tintelend bloote kijken
uit dat stil hoofdbewegen,
in dat trillen en dat bewegen
van je handen en je hoofd en je voet
zooals het aan me nu nog doet.
O kon ik maar vinden
het uitvlietend gezwinde
woordenriviersterrelsel
waarin ik het alles vertel
voordat ik weg ga sterven
in het leven waarin ik zoo zwerve.
Maar o schoone tintelkleure
die binnen de groote lichtdeuren
van den zonzomer is,
en al de lichtlichternis,
de hooge heilige mis
van de dagen,
en goudlicht en avondschijn
in de roode kamer die zijn,
waarin zij toen was
met haar lichaam als glas
zoo doorzichtig, zoo lichtig, wilt wezen
samen altijd uitgelezen
in me die haar eenmaal zag
in uw licht roodgoudwitten dag.

Want laat ik maar bibbren
en maar heel wèg sidderen
in woorden opdat niets meer is
dan hare lichternis.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.