GIJ zijt een bloem, een lichte roode bloem
in donkre kamer 's nachts, een bloem, een bloem --
vèr òm der stede opschokkend gedoem,
dicht òm der stilte suiskokend gesoem --
een lichte roode bloem, een witte bloem.

Gij zijt mijn hart, mijn eenzaam levend hart,
de daden van mijn lijf slaan rondom hard,
wreed klaterende stem veinst vreugd en smart,
bliksemt mijn lijf, maar binnen is 't al zwart --
eenzaam in mij leeft gij, mijn levend hart.

Gij zijt zoo donker en toch vlak bij mij --
een bloem voor oogen en een hart in mij --
ik zoek te zeggen hoe 'k verlangen lij.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.