Herman Gorter

Verzen

1890


  1. TOEN de tijden bladstil waren, lang geleen
  2. IK zat toen heel stil te werken
  3. 0 ALS de zon schijnt
  4. WIJ zilvren wezens, nevellichten, gewassen
  5. GIJ zijt een stille witte blinkesneeuw
  6. 0 KOELE zwarte ademen van den nacht
  7. DE zon. De wereld is goud en geel
  8. DE stille weg
  9. IN de zwarte nacht is een mensch aangetreden
  10. DE boomen waren stil
  11. DE heide is maar stil
  12. HET is weebleekerig grijs
  13. EEN kind dat altijd verlangt
  14. BEWEGING is vóór me ongewis
  15. IK ben alleen in het lamplicht
  16. TOEN zag ik je
  17. IK zat eens heel alleen te spelen
  18. GIJ staat zoo heel, heel stil
  19. SCHADUWEN wand'len in haar oogezalen
  20. MIJN liefste was dood
  21. IK proefde de lauwe luchten
  22. VOEL je den nacht
  23. DE lente komt van ver, ik hoor hem komen
  24. HET strand was stil en bleek
  25. HÈ IK wou jij was de lucht
  26. DIT zijn de bleeke, bleeklichte weken
  27. IK was toen een arme jongen
  28. HAAR oogen tinkelkelken
  29. STIL zit ze, kijkt voor zich
  30. 't IS zwart en donker
  31. HET was in den zwarten nacht
  32. HET regende in de stad
  33. ZACHT kwam ze als jonge sneeuw
  34. EN ik bij de stille zeeën
  35. DE lucht was geel als geele chrysanthemen
  36. GIJ zijt een bloem, een lichte roode bloem
  37. IN de stilte van de stad
  38. 'S AVONDS in 't donker doet ze de oogen dicht
  39. ONZ' hoofden weenen en zijn genegen
  40. 'S NACHTS dan is 't leven haar zoo hel en roode
  41. TOEN bliezen de poortwachters op gouden horens
  42. IK zat eens heel alleen te denken
  43. DE straalpralende dag
  44. HET gouden zongezwier
  45. 'TIS alles weenen, de storm, het huis
  46. EEN roode roos is in mijn hand
  47. MIJN handen zijn zoo heet
  48. ERGENS moeten toch zijn de lichte watren van haar oogen
  49. IN de verte zag ik blanke wateren
  50. IK had zoo lang rondgeloopen
  51. IK wilde ik kon u iets geven
  52. ZE zat daar rechtop en keek
  53. IK lag te slapen op mijn bed
  54. IK liep 's avonds door mijne stad
  55. SAMEN te loopen tusschen breede zeeën
  56. ZACHTLICHTE lentenen
  57. LAAT ik nu denken hoe dat alles was
  58. IN een grijs huis en in een kamerlicht
  59. ZIE je ik hou van je
  60. HET was dien avond zoo stil
  61. 'k HEB mijn oor tegen zooveel stemklokken geleend
  62. DE grijze lucht als een satijnen waaier
  63. AVOND. De heuvels vallen vaal
  64. DE lucht was fijn. Avond
  65. BLINKEND licht splinterde fijn
  66. DAAR ligt dat water -- dat schitterende water
  67. MIJN grijze tintelreine
  68. AL die grijze dagen
  69. IN den heeten nacht een heet zwart grijs korenveld
  70. GEBENEDIJDE
  71. ER was veel goud eikegeel
  72. ER was toen sneeuw op 't mos
  73. TWEE lampen schijnen
  74. DAT kouwe vleesch van een ander
  75. DE lente -- ik sta midden in haar
  76. DE boomen golven op de heuvelen
  77. DE gonsregen, regen
  78. DE lamp schijnt, de kamer is open
  79. ALDOOR dat metalen ruischen van de metalen stralende zee
  80. DE zee buiten grijs, zilverig, regenig, lommerig, in wolke' cirkelgespreide
  81. DE golven en hun òver voorovervallen
  82. LEVEN, zoele omsomberde even inschitterde

Toevoeging


Bijgedragen door: Dick van Halsema
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Janszoon Coster