"IK lag te slapen op mijn bed
leliebebloemd en met
mijn witte vingeren dood doodstil.
Het was daar stil stil stil --

Ruischen van waskaarsen,
't knappen van vlamamandelen,
de lucht goude asch -- schaarse
leli'n lagen op mijn sprei te wandelen.

Ik ben geboren als een bloem
brekende in de bleeke lucht
als 't guldene lente is in de lucht,
de velden nog wat sneeuwbevlucht,
goudene lucht, sneeuwgrond rondom.

Ik ben gegroeid tot deze maagd
dagegelijk, zoo onversaagd
blinkend, wanneer de dage daagt --
gulden naar blauwen boog --
ik wiegelde zoo omhoog.

Ik legde mij neder op mijn bed
wachtende achterover, met
mijn voeten schuif ik de stille sneeuw
waarin ik lig, de fonklende sneeuw,
die vult rondom mij zijn kristal
mijn hals, mijn armen en het dal
tusschen mijn borsten, als ik blaas
sneeuwt over mij een jachtsneeuwgaas,
kristalletjesspel, mijn adem rust,
ze dooien als het vel ze kust.

Ik heb mijn kamer zoo in de stad,
waarom kwam toch niet wat
ik lag te wachten,
zoo wit waren nachten,
zoo wit en leeg,
ik wendde mijn oogen en neeg
naar alle kanten mijn hoofd --
er was me toch iets beloofd.

Niets kwam er dan goudgeluid,
ik stak mijn armen uit,
die blonken zoo eenzaam licht,
ik sloot ze rondom me dicht --
ik ademde diep in mij
't goudkoude dat over mij
hing als een drooge mist --
ik had me zeker vergist.

Toen ben ik opgestaan
heen en weergegaan
hijgende tusschen de lichtstandaarden
de zonnen van mijn slaapgaarde,
ik kon daar niet langer zijn
in den goudkouden schijn.

Kom nu, o kom nu hooren
naar al 't dringend te voren
uit mijnen armen mond,
ik wilde dat ge me vond,
ik u om met u te keeren
naar het vlammen, het teere
lichten, het bibbrende schijnen -
uit en het verwegkwijnen,
sterven van licht in de hoeken,
niet langer wil ik dan zoeken
licht, maar het roode bloed
dat gloeiende leven doet.

Kom in mijn witte kameren
daar deed ik verzamelen
stilte en wit albast
licht voor een hoogen gast.

O 't is daar stil stil stil,
wachten, alleen geril
van vlammen en vlamamandelen,
ruischende gaat te wandelen
het licht in het gouden gewaad
hangende in de luchtstraat."

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.