DE lamp schijnt, de kamer is open --
buiten hoor ik de wind loopen.
De bladen, de flappende bladen,
de flaplentebladen -- de flapnachtbladen,
ze zijn groen en ze zijn zwart en slap --
hun natte lippen, 't slap handegeklap --
hoor 't opwaaien, 't alle-weggaan,
daar komen ze weer aan --
het schermutsel in 't donker van zachte wapenen,
het aan elkaar klapperen,
hoor ze in de verte aangaan,
de nacht is heel open gegaan
als sluizen --
langs mijn hand koel gezoen en gestrook,
het licht schijnt als in rook,
't is als om slapen te gaan,
in 't schijnlicht, die vlijblaên, 't opgaan, 't neergaan.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.