VOEL je den nacht
den eersten lentenacht?

Hoor je de boomen wel zingen
eerst daar heel hoog hoog zingen
van de teere bovenste takken
als keelen die braken
in angstig verlangend hoog vreugdeschreien,
hun hoog gierluidende lentelijen,
hoor je den nacht
den eersten lentenacht?

En nu gonzen de stammen
nu de eerste nachtvlammen
hen grijpen in zwarte handen,
ze gonzen tusschen hun tanden,
hoor je het, kind,
hoor je het, kind,
de oude zwarte stampalen
droomen in lage schalen
omdat het nu weer begint.

Laten we nu onze hoofden
buigen in zoelomloofde
zwarte warme nachtboezems,
om de lippen doffe nachtbloezems,
in de haren nachttrillingen
aan het lijf onze vingeren
in den mond onze drooge tongen,
in onze armen die vongen
elkander eindelijk
o eindelijk.

Laten we hoog opstaan
en door de zwarte lente gaan,
hij heeft zijn zwarte luchtebloemen
dat zijn zijn geurige lentehanden
daarmee is hij gekomen
daarmee loopt hij de wanden
der ronde luchten af --
hij legt ze aan onze wangen,
wij drinken luchten-lange
teugen zwartvallend hemellicht,
dat valt stil af
op ons gezicht.

Wat ben je nu zwart,
ik kan je oogen niet eens meer zien,
is dit je hart --
wat gaat er geschien?

Ik ben zoo bang,
toch is het zoo veilig,
de lente is zwart, de lucht weelig,
en jij in mijn armen zoo zacht
in je huidevacht --
het komt van het lang verlang.

Je bent zwart, ik wou wel vergaan
hongerig, nooit van daan
meer komen, in zwarte bloemen
o mijne zwarte bloeme.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.