ZACHTLICHTE lentenen
mogen nu wentelen
aanwentelen,
hooglichte luchten
wolkenlichtluchten,
de lentenen.Groote lenten met zonlichtbloesems
Dàn oogen lichtgrijzig spelen,
in fonkellichte ver vallende blouses
waar hoofden zacht in liggen
donzig en ver als wolkenen,
de grijze stil-sneewige
die in wintermiddagen liggen.
open, waarin de vele
doorschijnlicht gedachten vervelen
zich -- den ganschen goudgelen
lichtlichten lentenadag --
terwijl de winden verspelen
heel ver vrre windkrakeelen
zoetzomerig in een lach.De lippen hangen dan stil,
de handen een weinig kil,
het lichaam in lucht, de rille --
in eens om het uit te gillen.Herman Gorter, Verzen 1890.