ZACHT kwam ze als jonge sneeuw,
stille en wiegelend,
witte zich spiegelend
in den spiegel der grijze eeuw.

De eeuw was een grijze spiegel,
blinkende met gewiegel,
voer ze er over heen --
wit in het wit verleen.

Ze was lichtgeschuim, ze was vonkelsel,
ze was licht'ge luim, sterkarbonkelsel
op het waterig vlak der aard,
ze was handgevlam, ze was vuurgelicht,
ze was brandgekam, ze was uurgelicht,
ze was brandende diamantsneeuw,
o ze was toch bewaard,
blanke gekooide meeuw,
eind'lijk voorbijvliegende aan de aard.

In de grijze lichthoven,
op den akker lichtschoven,
in de waterpoelen van licht --
vonkelde haar gezicht --
hingen haar bloemekens, haar witte lichtharten
open en bloot te wachten,
in den sneewigen zomer
de sneewlichtdroomer
de zon omregende haar
handen met stuifsneeuw klaar,
in de dooiende nachten
de maansneewvachten
behingen haar stille ooren --
ze zat naar het vallen te hooren
van 't opene sneewbloemgloren,
maansneewbloemen hooggeboren,
die spraken met geele monden
al in het ronde --
de lichte winden
die trippelhinde
woeien naar voor, naar ver --
o een verloren veer --
maar een lichtgeschuim, maar een vonkelsel,
maar een licht'ge luim, maar karbonkelsel,
maar een sneewween' lachsneew' meid --
o hare vroolijkheid,
o hare droevigheid sneewden wel wijd en zijd.

Haar oogen begonnen te gloren,
haar handen kwamen naar voren
meer en meer, meer en meer --
ze voelden zich verloren
veel gaan, ze wou toebehooren
teer, o teer.

En het ooglichten begon
en het hoog opkijken,
en het opschrikken begon
en het heel ver wijken --
het wegsneewen aIs sneeuwjacht
en het voetvluchten heel zacht,
en het heel zacht in zich denken,
en dan weer het wilde krenken
der vingeregrepen
en het zacht gegrepen
hoofdhaar en het liggen neer
en 't wreede levensbegeer.

En het bloedproeven begon,
het wijnroodbloede --
en het volgroeien begon
en hartstormwoede
en het heenloopen en het wederkeeren
en het wrang gepijn, het diepe zeere
leeg zijn en hongeren heel alleen,
en het zacht neerzinken
en het opblinken
van willend lachen om het lijf heen.

En het luisteren begon
in de stille kamer --
en het stilzitten begon
voor de gladde ramen
en het vr weg zijn als een droom --
en het luistrend hooren
naar het geboren
worden geluiden als een droom.

En de wereld hooren
en de wind hooren
en het zonlicht hooren
en de nacht hooren
en het stappen van den lichttijd,
ze was onderwijl gekwijn,
o, ze was zeegeween,
o hare vroolijkheid,
o hare droevigheid
konden nòg flauwlicht zijn
als sneewigheid.

 
Terug

Vooruit
 
Herman Gorter, Verzen 1890.