"Ook ik ben omstreeks t midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud,
maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd
den weg uit smart en twijfel, noch gedragen
omhoog, en geen hemelsche oogen zagen
neer op mij, vanwaar hoogre klaarte blauwt
min teedre zorg omwakend, en met stage
stralen heffend naar waar men waarheid schouwt.
Mij leidt geen gids, als het eigen gemoed,
mij schoort geen steun, dan denkle trouwe handen
die mij opbeuren als de kracht bezwijkt:
mij sterkt geen afgezant uit beetre landen
dan soms het ruischen, als een vleugel doet,
van zachte hoop die langs mijn wangen strijkt."