Johan van Heemskerck (1579-1656)

Liedeken

   Terwijl u oogh noch somtijtdt Vriendelijck stondt,
En ick een kus mocht krygen van u mondt,
VVas niemand so geluckigh hier in t landt,
   Als ick mijn selven vandt.

   Dat is voorbij, en nu voel ick mijn hert
Allenckxkens in een ander net verwert,
Dat sacht als sijd, my aen een Zieltje bindt,
   t Geen sijns ghelijck naeuw vindt.

   Doch of t gheviel dat duyt-gebluste vlam
VVeer leven kreeg, en weer aen t branden quam?
Of dOude Min weer in mijn boesem sloop,
   En mijn gemoed bekroop?

   Hoe wel dat ghy Zijt schichtigh als een Rhee,
Hard als een Rots, verbolghen als de Zee,
Sy suyker-soet, en vriendelijck als t gesicht
   Van t eerste Morgen licht.

   Nochtans met u wensch ick te mogen leven,
Met u wensch ick mijn gheest te mogen gheven,
Met u wensch ick, door on-verbroocken VVet,
   Een Dack, en Disch, een Bedt.
E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 07-sep-96


Coster-pagina