Dr. J.P. Heije

Twee voerlui

Een karretje op een zandweg reed;
De maan scheen helder, de weg was breed,
Het paardje liep met lusten;
('k Wed, dat het zelf zijn weg wel vindt:)
De voerman lei te rusten...
Ik wens je wèl-thuis, me-vrind!

Een karretje reed langs Berg en Dal;
De nachtwas donker, de weg was smal,
Het paard liep als met vleugels;
(De sneeuwjacht zweept zijn ogen blind:)
De voerman houdt de teugels...
Ik wens je wèl-thuis, me-vrind!

Eén karretje keert behouden weer;
Het ànder heeft er geen voerman meer; ­
Waar mag hij zijn gebleven?
'k Wed ­ dat je 'em op de zandweg vindt,
Of mooglijk wel daarnéven...
Hij komt niet weer thuis, die vrind!

1847


Bron: C.J. Aarts en M.C. van Etten (samenstellers), Domweg gelukkig in de Dapperstraat. De bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur. Bert Bakker, Amsterdam, veertiende verbeterde druk 1996.
Ingezonden door IJme Woensdrecht
Project Laurens Jz. Coster