Naar het tweede bedrijf

DERDE BEDRIJF

Zelfde kamer als voren. Avond. Een lamp brandt. De schouw belicht felrood het vertrekje. Een gierende wind huilt langs het huis.

EERSTE TONEEL

Jo, Kniertje, Clementine, de boekhouder

JO, lezend voor een der bedsteden: ...En dat versie is màchtig mooi... Luister-je?...
'Aan Maria voor de Overledenen.
Moeder Gods, zie vol erbarmen
Op uwe arme kinderen neer.
Reik hun uwe reddende armen,
Wees hun voorspraak bij den Heer.
Uwe beê bij 't Godlijk Hart,
Maakt een einde aan al hun smart.'
In de bedstee starend. Slaap je tante? Slaap-je? Geklop. Zij loopt op de tenen naar de kookhouder, legt de vinger op de mond om Clementine en de boekhouder te waarschuwen. Zachies juffrouw...

CLEMENTINE: Doe gauw de deur dicht! Wat 'n noodweer!... Wat 'n wéér!... Me oge zitte vol zand... Leit Knier te bed?

JO: Ze is effetjes gekleed gaan legge -- nog niks fiks -- koorts en hoeste...

CLEMENTINE: 'k Heb 'n bordje soep meegebracht en zes eieren -- nou dan, Kaps!...Kàps!...

DE BOEKHOUDER: Jawel...

CLEMENTINE: ..Op de tafel... Da's 'n penitentie -- zo'n dove kwartel... Wat heb je gelezen?

JO: De katelieke illestrasie...

CLEMENTINE: Waar heb je de eieren gestopt?

DE BOEKHOUDER: 'k Versta je wel...

KNIERTJE, in de bedstede: Is daar iemand?...

CLEMENTINE: Ik ben 't, Clementine...

KNIERTJE, opstaand: Is de wind nòg niet gaan ligge...

CLEMENTINE: 'k Breng je 'n bordje kalfspoelet, Knier -- om van te smullen. Wel allemachtig -- heb-je zo gemorst?...

DE BOEKHOUDER: 'k Geef 't jou te doen om 'n pannetje stil te houe as 't zand in je oge stuift...

CLEMENTINE: 't Is anders wel ráár, hoor... D'r was twéémaal meer vlees in...

DE BOEKHOUDER: Watte?... 'k Versta niks met die wind...

KNIERTJE: Ik dank U wel, juffrouw.

CLEMENTINE, de eieren tellend: ...Een, twee, drie, vier... De andere...

DE BOEKHOUDER: Da's vijf... Enne z'n hand bekijkend, die druipt van eigeel... Enne...

CLEMENTINE: Natuurlijk gebroken!

DE BOEKHOUDER, z'n beurs en z'n zakdoek te voorschijn halend, vol eigeel: -- ... 'k Had 't toch zo sekuur geborgen -- da's 'n verwoesting -- da's 'n smurrie...

JO, lachend" Bak 'r 'n ommelet van...

DE BOEKHOUDER: Dat komt dat je tegen me an gedouwd heb... Kijk me sleutels is...

CLEMENTINE, lachend: Dat noemt-ie sekuur opbergen!... Ga maar naar huis!

DE BOEKHOUDER, kribbig: Nee-niewaar!

CLEMENTINE, harder: Ga maar! 'k Vin de weg wel terug!...

DE BOEKHOUDER: Me beurs... en me zakdoek... en me kurketrekker... Vals. Dag... Af.

TWEEDE TONEEL

Jo, Kniertje, Clementine

CLEMENTINE: Hoe me vader zó'n boekhouder wil hebben, begrijp 'k niet -- doof -- nijdig... Smaakt 't?...

KNIERTJE: Asjeblieft juffrouw -- U mot uw moeder wel bedanke...

CLEMENTINE: Dat zal ik wel láten... Pa en ma zijn koppig. De herrie met je zoons zijn ze nog niet vergeten... Mond dicht... anders krijg 'k 'n standje. mag Jo effen mee gaan kijken na de zee? Ze is nog nooit zó hóóg geweest!...

JO: Ik wil wel, juffrouw...

KNIERTJE: Nee, laat me nou niet alleen. Is dat weer om na 't strand te gaan -- een gekraak -- Hè!

JO: Wat wàs dat?

CLEMENTINE: 'k Heb iets horen breken.

DERDE TONEEL

De vorigen, Cobus

COBUS: God zal me zeegne! Dat scheelt geen haar...

JO: Ben je bezeerd?

COBUS: Ik kreeg 'n tik voor me achterwerk -- die ráák was. As dáár nou is me kop had gezete!... De boom naast 't varkeshok is in tweeën gebroken as 'n -- as 'n goudse pijp...

KNIERTJE: Is die op 't hòk neergekomme?

COBUS: Gloof'k haast wel...

KNIERTJE: As de boel maar niet in mekaar gezakt is. -- 't Hout is zo rot.

JO: Ach wel nee! Tante denkt àltijd 't ergste... Verwonderd. Oom Cobus -- hoe kom jij bij de weg -- óver achten -- en in dàt beesteweer...

COBUS: Dokter hale voor Daan...

CLEMENTINE: Is ouwe Daan ziek?

COBUS: Tja -- de ouwe dag -- is zo ineens gaan legge -- houdt niks in -- de bone met speksaus braakt-ie met permissie...

CLEMENTINE: ...Krijgt zo'n zieke, oude man bóne met speksaus?...

COBUS: Tja... de moeder zal 'n kippetje braje of 'n lap biefstuk bakke!.. Ze het de smoor in dat ze 'm 's morgens 'n ei mot klusse... Vanmiddag is-die allemaal wartaal gaan prate -- van de beug uitzette -- en de baaklijk viere -- en van valle om de noord -- "'t Loopt af," zeg 'k tegen moeder. "Als 't bij jou maar niet afloopt," zeit zij -- ik ze, "moeder, de dokter mot gehaald worde" -- "Bemoei je met je eigen," zeit zij: "Ben jij de moeder of ben ik de moeder?" -- Toen zeg ik: "de moeder ben jij." -- "Nou dan," zeit zij... Maar nou strakkies zeit ze: "je most toch maar de dokter hale."Of dat vanmiddag niet gekend had! Ik kom bij de dokter en de dokter is op reis. Nou ben 'k bij Simon an geweest om me met de hondekar na de stad te rije.

JO: Komt Simon dan hier?

CLEMENTINE: Als dronken Simon je rije mot, heb je kans van de dijk te rolle...

COBUS: Maar hij is vanavond niet dronken...

JO: Nou -- da's 'n streep an de balk. Mot de dokter mee in de hondekar? Hahaha!

COBUS: As die lust het, waarom niet? -- Wil ik je is wat zegge -- hè, wat 'n wind!... Hoor is!... Hoor is!... Straks komme de panne na beneje...

JO: Nou, vertel verder...

COBUS: ...Wat 'k zegge wou -- 't is voor Daantje 'n geluk, dat-ie buiten westen leit -- bàng as die was voor de dood... bàng...

CLEMENTINE: Dat zal iedereen toch wel, Cobus...

COBUS, diepzinnig-eigenwijs: Iedereen! Da's hoe je 't opvat. As morrege-de-dag mijn beurt komt -- dan denk 'k: we motte àllemaal -- dat wast 't water van de zee niet af -- God het gegeve -- God het genome. -- Nou mot je is prakkizere -- en niet làche --God neemt òns en wij neme de visse... Op de vijfde dag schiep-ie de zeegedrochte en 't gedierte, waarvan de watere wemele en zei: wees vruchtbaar en -- zégende ze -- dat was avond en dat was morrege, dat was de vijfde dag. -- Enne op de zesde dag schiep-ie de mens en zei óók: wees vruchtbaar en zégende ze... dat was wéér avond en wéér morrege -- dat was de zèsde dag... Néé, nou mot jij niet làche -- làche is geen kunst -- je mor prakkizere. As ik nou op de haringvangst was -- of op de zoutreis, dan dorst 'k menigmaal niet te kake en niet te snije. Want as je 'n haringkop met je duim links douwt en met je kaakmes 't gelletje 'r uit licht, -- dan kijkt zo'n beest je an met -- met oge zó verstandig -- en òch kaak-ie je twéé kantjes in 't uur... Enne om kele te snije -- één ton kele uit veertienhonderd kabeljauwe -- dat zijn achtentwintighonderd oge, die je ankijke... niks as ankijke... ènkel ankijke -- Vraag hóéveel visse ik al niet doodgemaakt heb -- d'r ware d'r weinig die zo zuinige grate en vette levers wiste te snije ...Tja, tja, -- en bang as ze ware -- bàng -- ze keke naar de wolleke asof ze zegge woue: hij het ons net zo goed gezegend as jullie en hoe mot dat nou? -- Ik zeg wij neme de visse en God neemt òn. -- We mòtte allemaal -- de beeste motte -- de mense motte -- enne omdat we àllemaal motte -- motte we eigenlijk geen van alle -- da's nou net alsof-ie 'n volle ton in 'n lege ton overschept. -- Bàng zou 'k zijn, as'k alléén bleef in de lege ton, maar met z'n àlle in de andere ton -- néé -- bang zijn is niks gedaan, -- bang zijn da's wille staan op je tene om over de rànd te kijke...

KNIERTJE: Is dat nou praat as 't nacht is... 't Lijkt wel of-ie 'n slokkie op heb.

COBUS: 'n Slokkie? Nog geen kommetje leut!... Is dat Simon?

KNIERTJE, luisterend tussen de bedsteden: Heb 'k nou gelijk met 't varkenshok of niet? Hoor 't arreme dier tekeer gaan. Om wàt je wil, dat 't schot ingezakt is.

JO: Laat mij dan gaan -- loop jij nou niet naar buiten!

KNIERTJE: Ach, wat zanik je!

JO: Eigenwijsie, hè! Schenk je maar vast 'n kommetje in, oom Cobus! 'k Zal 'r 'n handje... Af.

COBUS: Pas op voor 't lampeglas...

CLEMENTINE, bij 't raam: O, o, wat 'n weer... terug bij de tafel. -- Cobus -- ik zal God dànke as de 'Hoop van Zegen' binnen is.

COBUS: Tja -- d'r is niet één schip veilig vannacht... Maar de 'Hoop' is 'n oud schip -- en ouwe schepen vergaan 't minst.

CLEMENTINE: Dat zeg jij...

COBUS: Néé, dat zeit iedereen die gevaren het... Ook 'n kommetje, juffrouw?

CLEMENTINE: Nee, -- nee na een stilte -- starend, 'k zal God vannacht tòch bidden...

COBUS: Da's heel braaf, juffrouw... Maar de 'Jacoba' is uit en de 'Mathilde' is uit en de 'Verwachting' is uit... Waarom zou je voor één schip?...

CLEMENTINE: ..De 'Hoop van Zegen' is zo rot, zegt -- zegt... Stopt angstig.

COBUS, koffie slurpend: Wíé zeit dat?

CLEMENTINE: ..Dat zegt... dat dacht 'k-- dat --dat viel me zo in...

COBUS: Nee -- nou zit je te jòkke...

CLEMENTINE: O -- je ben wel beleefd...

COBUS: Als de 'Hoop van Zegen' ròt was, dan zou jouw vader...

CLEMENTINE: Hou toch je malle mond -- je zou Knier ongerust.... Gauw de deur dicht, Knier, voor de làmp.

KNIERTJE: Goed dat we zijn weze kijke...

JO: 't Schot wàs omgewaaid.

KNIERTJE: O, me jonges -- wat zal Barend bang zijn, -- en net op de thuisreis.

JO: Koffie moeder? -- tànte -- Da's nou zo gek, hè! -- Telkens verspreek 'k me... Drinkt u nou óók 'n kommetje, juffrouw. De avond is nog zo lang en akelig... Ja?...

VIERDE TONEEL

De vorigen, Simon, Marietje

SIMON: Goeieavond. Sallemanders, wat 'n wind! Schei uit met je verdomde geblèr...

KNIERTJE: Scheelt je wat?

MARIETJE: As 'k an Mees denk...

KNIERTJE: Nou, nou. Kijk is na Jo -- die d'r vrijer toch óók... 'n goeie zeemansvrouw... domme meid... kinderachtige meid... Geef 'r maar 'n kommetje troost...

MARIETJE: 't Loopt in de zèsde week...

COBUS: Huil niet voor je geslagen wordt!... Jullie hebbe nog niks meegemaakt!... Staat de ekiepazie voor de deur?

SIMON: 'k Heb 'r anders donders weinig lol in... As 'k 't niet voor Dáán...

JO: Dat zal je goed doen, Simon...

SIMON, slurpend: Verdijd -- da's heet... 't Is me nòg is gebeurd met de hondekar -- in zo'n noodweer. -- Dat was met Ketrien -- die lee voor alle minute -- tweemaal ben 'k toen met kar en al ondersteboven gebliksemd -- en toen de dokter kwam -- was Ketrien dood en 't kind was dood -- maar as je me vráágt -- 'k zit vannacht liever op me akr as op zee...

KNIERTJE: Ja --ja.

JO: Nog 'n kommetje?

SIMON: Nee, late we onze tijd niet verklesse!... Klaar, Cobus?

COBUS: As je maar voorzichtig ben... Nacht samen...

VIJFDE TONEEL

Jo, Kniertje, Clementine, Marietje

JO: Jessus, zit nou niet zo sip!... Late we wat gezellig prate, dan dènk je an niks...

MARIETKE: Gisternacht was 't óók zo èrreg... En 'k heb zo náár gedroomd... zo schrikkelijk...

CLEMENTINE: Drome zijn bedrog, malle meid...

MARIETJE: 'k Weet hélemaal niet of 't 'n droom was -- d'r wier op de ruite geklopt -- éénmaal -- toen ben 'k blijve legge -- toen nòg is -- toen ben 'k opgestaan -- niks te zien -- niks. En zó as'k weer lee, wier d'r weer geklopt -- zo -- klopt op de tafel en toen heb 'k Mees z'n gezicht gezien -- zo bleek as... God, o God... En d'r was niks -- niks as de wind.

KNIERTJE, dodelijk-angstig: Dríémaal geklopt?... Driemaal...

MARIETJE: Telkens zo -- precies zo...

JO: Je ben toch 'n schaap, jij, om 't ouwe mens de stuipe op d'r lijf te jage met je geklop... Geklop. Schrik van allen.

ZESDE TONEEL

De vorigen, Saart, Truus

SAART: Wat kijke jullie bezete?... Dag juffrouw...

TRUUS: Magge we effen?

JO: Hè, gòddànk dat jullie komme.

SAART: Vies buiten! 't Zand zit dik in me nek en me ore. En koud! Gooi nog 'n paar blokkies bij!

TRUUS: 'k Kon 't thuis óók niet uithoue -- me kindere legge -- zo niks geen aanspraak -- en dat gehuil van de wind. -- D'r zijn twee dukdalve weggeslage...

KNIERTJE, een kous stoppend: Twéé dukdalve...

SAART: Vertel nou liever wat ànders...

JO: Dat zeg 'k ook... Wat hebbe we an die... Suiker en melk? Ja, hè?

SAART: Wat 'n vraag. 'k Zal koffie zònder suiker drinke!...

JO: Nou -- Géért wou nooit suiker...

CLEMENTINE: Je zoontje heeft zich dapper gehouden, Truus... 'k Zie 'm nog staan wuiven...

TRUUS, breiend: Ja, da's 'n schat van 'n jongen -- en amper twalef jaar -- U had 'm motte bijwone, twee en 'n halleve maand gelejen, -- toen de 'Anna' zònder Ari binnenkwam -- wat het dat kind zich toen as 'n engel gedrage -- net 'n grote man. -- 's Avonds zat-ie bij me op en 'n gesprekke! -- die jongen weet meer as ik. -- As 't schaap maar niet èrreg zeeziek is geweest...

SAART, breiend: Nou zal je meniet gelove -- maar met 'n rooie bril op wòr je níét zeeziek.

JO, een baaien broek verstellend: Hahaha! Heb-ie 't zellef geprobeerd? Zij doet as de dokters -- die late 'n ander slikke...

SAART: Ik heb ménig nachie an boord geslape toen me man nog leefde en ménig tochie meegemaakt....

JO: 'k Had jóú we is wille zien in je oliepakkie!...

CLEMENTINE: Ben jij getróúwd geweest, Saart?

SAART: Wacht, nou smeert de juffrouw me stroop om me mond!... Zó knap zie 'k 'r nog uit, hoor je, jònge meide? En òf 'k getrouwd was -- en stevig! -- 't Was 'n goeie vent, 'n beste vent -- alleen as'm iets na de zin was -- nou dan zònder kwaadsprekerij -- dan hield-ie z'n pote niet thuis -- dan smeet-ie de boel stuk -- 'k heb nòg 'n koffiekettel, waarvan-ie 't oor het afgeslage -- en voor geen daalder zou 'k 'm wille misse.

CLEMENTINE: Ik bie je geen gulden! Hahaha!

JO: Hè, zij kan zo lollig klesse! Vertel is van de Haarlemmerolie, Saart!...

SAART: Ja, zonder Haarlemmerolie was 'k misschien geen weduwe, kon 'k weer trouwe!...

CLEMENTINE: Die is leuk!...

JO: O, u mot 'r hóre... Toe, drink nou wat gauwer!...

SAART: 'k Stik 'r al in!... Wat kijk je nou Knier! Da's de wind -- Nou dan -- me man was 'n kemiekert -- zo vin je d'r geen tweede. Je kocht 'm 'n mes in 'n leren schee -- duur betaald, hoor -- en as die na vijf weke van de reis weerom kwam -- en je 'm vroeg: Jacob ben je me mes verlore? -- dan zei-die 'k weet niks van 'n mes -- 'k hèb geen mes van jou gekrege -- zo had-ie z'n hersens bij mekaar -- maar as-ie zich dan voor 't eerst in vijf weken uitkleedde en z'n olieschoene uittrok -- klets! -- viel 't mes op de grond -- had-ie àl die tijd niks van gevoeld!

CLEMENTINE: Vijf weke z'n olieschoenen angehouen!...

SAART: En dan most 'k 'm schoonmake met zeep en soda -- geen water gezien en dik in de luis...

CLEMENTINE: Hè -- jakkes!...

SAART: 'k Wou da'k voor al 't ongedierte an boord 'n cent voor 't dozijn kreeg! Dat hebbe ze toe op d'r gazie... hahaha! -- Nou dan -- z'n laatste reis slaat 'n stuk water 'm tegen de verschansing, net toen de schotter 't bezaanzeil na bakboord ophaalde -- en z'n been kapot -- gebroken. Daar zatte ze mee. De schipper kon pappe en 'n eksteroog snije, maar 'n been héél make -- néé. Toen wou de schotter 'r 'n plank onder steke -- maar Jacob wou Haarlemmerolie. Haarlemmerolie -- en nog is Haarlemmerolie -- ach jezis -- de stakker -- toen die ankwam was z'n been hélemaal mis. Je had 't me toch niet motte late vertelle.

JO: En je het 'r laatst zellef om gelache!

SAART: Nou jawel. -- Affijn de dooie maak je niet levend. En as je 'r goed over denkt is 't 'n smerige gemeenheid da'k niet hertrouwe mag.

CLEMENTINE: Màg? Wie zal 't je belette?

SAART: Wie? Wie die gekke wette in mekaar geflanst het! 'n Jaar later vergaat de 'Wisselvalligheid' met man en muis. Dan zou je verdikkie mene, dat as je man dood is -- met z'n anderhalleve poot wsa-ie nòg meegegaan -- je 'n àndere man mag trouwe. Mis poes. Dan mot je, geloof'k, eerst in de krante oproepe, waar-die zit -- en as je driemaal geen asem gekrege het, dàn mag-ie 'n nieuw boterbriefie hale.

TRUUS, zeurig-breiend: Ik geloof niet da'k ooit hertrouwe zal...

SAART: Wat'n wonder -- jij wàs al tweemaal getrouwd -- as je de manne dan nòg niet kent...

TRUUS: 'k Wou da'k net as jij over alles kon prate... Nee -'t is me 'n angst. Met de eerste was 't 'n grúwel -- me me tweede dat wete jullie...

CLEMENTINE: Toe vertel is, Truus -- 'k zou wel nachte kunnen opzitten om die verhalen-van-de-zee an te horen...

KNIERTJE: Vertel nou geen dinge van dood en ellende...

SAART: Hè wat knies jij -- steek maar in zee -- en schenk jij nog is in - Jij most knies hete in plaats van Knier...

TRUUS, rustig breiend en toonloos pratend: Ach -- 't kan je hier niet gebeure, Knier -- toen woonde 'k in Vlaardingen en 'k was 'n jaar getrouwd zonder kinderen -- néé, Pietje is van Ari -- en toen ging-ie weg met de 'Magneet' -- ja, 't was de 'Magneet' -- op de haringvangst. Da's nou allemaal niks. En je begrijpt wel wat 'r gebeurd is -- anders zou 'k geen kennis an Ari hebbe gekregen en nit náást je wone. -- De 'Magneet' bleef op 't Zand of erges anders. Maar dat wist 'k toen niet en daar dàcht 'k niet an...

JO, verschirkt: Ssst! Wees is stil...

SAART: Niks. Enkel wind.

TRUUS: ...Nou -- in Vlaardingen heb je de toren en op de toren heb je de kijker -- de torenkijker...

MARIETJE, breiend: Da's in Maassluis óók...

TRUUS: En die kijker hijst 'n rooie bal as-ie 'n logger of 'n trawler of 'n andere schuit in de verte ziet -- en as-ie weet wíé 't is -- gewoon 'n wònder hoe-ie an 'n mast, an 't tuig, an de kleur, an de zeile, an de dekdele -- vraag niet an wàt -- 'n schip herkent, dan laat-ie de bal zakke -- loopt na de reder en na de familie en waarschouwt -- laat 'k zagge: de 'Albert Coster' of 'de Goedkoop', komt. Nou, de familie waarschouwe is haast niet nodig. Want zó as de bal op de toren gehesen is, lopen de kindere in de straat te schreeuwe -- toen 'k jong was, dee 'k 't ook: "'n Bal op! 'n Bal op!" -- dan gaan de vrouwe na de toren en wachte beneje tot de kijker komt en dan geve ze 'm cente as 't hùn schip is...

CLEMENTINE: ...En...

TRUUS, in de schouw starend: En... en... de 'Magneet' met me eerste man -- heb 'k al gezeid da'k 'n jaar getrouwd was? -- de 'Magneet' bleef zès weke weg, zéven weke weg -- toch maar proviand voor zès. En tellekes riepe de kindere "'n Bal op, Truus! 'n Bal op, Truus!" Dan liep je as 'n gekkin na de toren -- maar niemand die je nakeek -- ze wisten wel wáárom je liep -- en as de kijker benee kwam dan had je 'm wel de woorde uit z'n mond wille schéúre -- maar dan vroeg je angstig heb je ting? -- ting da's tijding op z'n Vlaardings -- "Ting van de 'Magneet'?" zei-ie dan, "néé, 't is de 'Vrouw Maria' of de 'Waakzaamheid' of de 'Concordia' -- en dan slofte je terug zo langzaam -- zo langzaam -- en liep je te huile, denkend an je màn-- je màn...
Elleke dag kreeg je 'n schok door je hersens as je de kindere hoorde... en elleke dag was je bij de toren -- biddend dat God -- maar de 'Magneet' kwam niet, --kwam niet -- telangeleste dòrst je niemeer na de toren as de bal gehesen was -- dorst je niemeer an de deur blijve wachte òf soms de kijker zèllef met de boodschap kwam... Dat het twee maande geduurd -- twee maande -- en toen -- nou toen geloofde 'k 't wel... Toonloos. De vis wordt dúúr betaald...

CLEMENTINE, na een stilte: ...En met Ari -- wat is daarmee gebeurd?

TRUUS: Ari...

JO: Nou... da's nog zo kort gelejen...

TRUUS, rustig: Ach kind, je zou 't ellek uur van de dag an iedereen wille vertelle -- as je met zes kindere ben blijve zitte -- 'n beste man -- nooit 'n kwaad woord van 'm gehad -- nooit. In twee uur was-ie er uit -- 'n slag van 't spil -- geen woord het-ie meer gesproken. -- As 't zes gage later was gebeurd, hqadde ze 'm meegebracht -- zoue we 'm hier begrave hebbe -- nou zwomme de haaie al om 't schip -- die ruike as 'r 'n dooie an boord is...

KNIERTJE: Ja, da's waar, anders zie je ze nooit.

TRUUS, gelaten: U zal wel geen visser trouwe, juffrouw, maar 't is droevig, droevig. God, zo droevig, dat ze wat je lief heb gehad op 'n plank sjorre -- met 'n stuk zeildoek 'r om -- en 'n steen 'r in -- driemaal om de grote mast -- en dan één -- twee -- drie -- in Gods naam... De vis wordt dúúr betaald... Snikt zachtjes.

JO, opstaand -- haar pakkend: Nou -- Truus!...

SAART: Schenk 'r nog maar 'n kommetje... tot Marietje. Huil jij nou ook weer? Die zit maar an Mees te denke...

MARIETJE: Nee -- nou dacht 'k niet an Mees -- nou dacht 'k an me broertje... die toen ook verdronken is.

JO, nerveus: Jullie schijne 'r plezier in te hebbe...

CLEMENTINE: Was dat niet op de haringvangst?...

MARIETJE, weer doorbreiend: ...Z'n tweede reis -- 'n salg van de fok. ...Ineens lee-ie overboord...Reepschieter was-ie... De schipper stak 'm nog 'n haringschop toe en die greep-ie, maar de schop was te glad -- z'n handjes gleje 'r langs -- toen hield Jeruzalem, de stuurmansmaat, 'm de bezem voor -- die greep-ie weer. Met z'n drieën trokke ze 'm op -- toen liet de bezem los -- viel-ie terug in de golven en nòg is voor de derde maal smeet de schipper 'n lijn overboord... God wou me broertje hèbbe -- de lijn brak -- en de andere helft ging mèt me broertje in de diepte...

CLEMENTINE: Da's schrikkelijk -- driemaal grijpen, driemaal loslaten...

MARIETJE: ...En alsof 't kind 't 's morgens voelde ankomme... Die hele nacht had-ie legge huile -- vertelde de schipper -- legge huile om moeder die ziek lee. -- En toen de schipper 'm troostte, zei-ie: nee, schipper, al wordt me moeder beter, ik eet vandaag me laatste harinkie... Dàt het vader zo an de drank gebracht...

CLEMENTINE: Nou Marietje...

MARIETJE: Néé, niet nou juffrouw -- heus, toen-ie van Pieterse werom kwam met wat Toontje van de besomming most hebbe -- dee-ie gewoon krankzinnig -- toen smeet-ie de cente over de grond -- toen vloekte-ie op -- 'k zal 't maar niet overbrenge -- op àlles -- en ikke -- hoe oud was 'k -- veertien -- ik raapte ze huilend op -- we konne 't best gebruike -- moeder d'r ziekte en d'r begrave hadde 'n boel gekost... Achttien gulden is 'n hoop geld... 'n hele hoop...

JO: Achttien gulden voor je kind... achttien... Verschrikt de windvlagen beluisterend. Wees is stil...

SAART: Niks niemendal! Ben je zo bàng uitgevalle vanavond?

JO: Bang? Ik bang? Nee hoor, hahaha!... Ik bàng!

KNIERTJE, voor zich heen: Ja, ja, -- as 't water i spreke kon...

CLEMENTINE: Toe vertel jij nou ook is -- jij heb zo'n boel ondervonden.

KNIERTJE: Vertelle? Ach juffrouw, 't leven op zee is geen vertelsel. -- Door 'n dúímsplankie zijn ze van de eeuwigheid gescheien. -- De mànne hebbe 't hard en de vróúwe hebbe 't hard. -- Gisteren ging 'k voorbij het huis van de burgemeester -- ze zate net an tafel en ate schelvis waarvan de damp afsloeg -- enne de levertjes leien ampart -- enne de kindere zate met gevouwen hande te bidde. Toen dacht 'k in me onnozelheid -- as 't verkeerd was, mag God 't me vergeven -- dat 't niegoed van de burgemeester was -- van de burgemeester niet -- en van de andere niet -- want de wind woie zo hard, zo hard uit 't oosten -- en de visse komme uit 't zelfde water waarin onze dooie -- hoe mot 'k 't zegge -- waarin onze dooie -- u begrijpt me wel -- Een stilte. 't Is dwaas om zulke mallighede te denke -- 't is je bestaan -- en tegen je bestaan mag je niet in opstand komme.

TRUUS: Ja -- zij kan 'r van meeprate...

KNIERTJE, stillekens stoppend: Me man was 'n visser -- één-uit-de-duzend. Als 'r gelooid wier, proefde-die an 't zànd waar-ie was. 's Nachts zei-ie menigmaal we binne op de 56 en dan wàs-ie op de 56. Wat het-ie al niet meegemaakt as matroos! Eens het-ie twee dage en twee nachte met drie andere in de boot rondgezworreve. Dat was toen ze de beug moste inhalen en 'r zo'n mist opsting dat ze geen jóón meer konde onderscheijen, laat staan de logger terugvinde. In twee dage en twéé nachte geen ete of drinke. -- En later weer toen de schuit verging -- dat had u 'm motte hore vertelle -- zwom-ie met ouwe Dirk na 'n omgeslagen roeiboot -- daar klom-ie op. Die nacht zei-die vergeet 'k nooit. Ouwe Dirk was te moe of te oud om 'n houvast te krijge. Toen stak me man z'n mes in de boot en Dirk die grijpe wou en haast zonk, greep in 't mes dat drie van z'n vingers er bijhinge -- jà, ja, da's àllemaal gebeurd -- en met gevaar van z'n eigen leven trok-ie 'm op de omgeslagen boot. -- Zo dreve ze met 'r tweeën in de nacht -- en Dirk -- die ouwe Dirk -- of 't van bloedverlies kwam of van angst -- Dirk wier gek. Die zat me man maar an te kijke met oge as van 'n kat -- die sprak van de duvel die in 'm was -- van de satan -- en 't bloed, zei me man, liep over de boot -- de golve hadde maar werk om 't weg te spoelen. Net tegen de morgen glee Dirk na benee -- zo uit zich zelf -- me man wier opgepikt door 'n vrachtboot die langs voer. 't het niet geholpe -- drie jaar later -- da's nou twalef jaar gelejen -- bleef de 'Clementine' -- die uw vader na u genoemd had -- op de Doggersbank mèt me twee oudste. -- Van wat 'r met díé gebeurd is, weet 'k niks, helemaal niks. Nooit 'n luik of 'n joon angespoeld -- niks meer, niks. Je kan 't je eerst niet voorstelle -- maar na zoveel jare weet je d'r gezichte niegoed meer -- en daar dànk je God voor. Want hoe erreg zou 't niet zijn as je de herinnering hield. Nou heb'k óók me vertelsel gedaan -- elke zeemansvrouw het zo iets in d'r femilie -- 't is geen nieuwigheid -- Truus het gelijk: de vis wordt duur betaald... Huil je juffrouw?

CLEMENTINE, losbarstend: God -- as 'r vànnàcht maar geen schepen vergaan...

KNIERTJE: ...We zijn àllemaal in God's hand -- en God is groot en goed...

JO, woest opstuivend: ...Schepe vergaan! Schepe vergaan! De een blert -- de ander huilt... 'k Wou da'k vanavond in me eentje gezeten had. Met de vuisten haar hoofd bonzend. Jullie make iemand dol, dol, dol!...

CLEMENTINE, verbaasd: Jo -- wat heb je?...

JO, hartstochtelijk: ...Háár man en háár broertje -- en me arreme oom -- die beroerde verhale -- inplaats van je op te vrolijke!... Vraag mijn nou ook! Gillend. Me vader is verdronken, verdronken, verdronken!... En... Jullie zijn ellendelinge -- Jullie zijn... Smijt heftig de deur achter zich dicht.

ZEVENDE TONEEL

De vorigen, zonder Jo

TRUUS, angstig: 'k Geloof dat ze bàng is geworden...

MARIETJE: Wil 'k 'r gaan opzoeke?...

KNIERTJE: Nee kind. -- Buiten bedaart ze van zelf -- overspannen -- de laatste twee dage -- Gaat u nou wèg, juffrouw?...

CLEMENTINE: 't Is laat geworden, Knier, -- en je nicht -- je nicht was wel 'n beetje onhebbelijk -- nee, 'k neem 't niet kwalijk. Wie brengt me na huis?

SAART: As 'r één opstapt, -- stappe we allemaal op -- met mekaar waai je niet weg. -- Dag Knier.

MARIETJE, bedrukt: Dag tante Knier...

KNIERTJE: Nog is wel bedankt, juffrouw, voor de soep en de eiere...

TRUUS: Kom je morrege-avond bij mijn 'n kommetje drinken? -- toe, zeg maar ja. --...

KNIERTJE: Nou misschien. Dag juffruow. Dag Marietje. Dag Saart. As je Jo ziet, stuur d'r direk, wil je? Ze ruimt de kopjes weg. De wind huilt woest-gierrend om het huis. Angstig luistert zij bij het raam, schuift haar stoel dicht bij de schouw, staart in 't vuur, begint lippen-prevelend een rozenkrans te draaien.

ACHTSTE TONEEL

Jo, Kniertje
Jo plompt op een stoel bij 't raam, speldt zenuwbevend haar doekje los

KNIERTJE: Da's goed dat je na bed gaat -- je ben helemaal mis. Was dat 'n uitval! En dat goeie kind dat door weer en wind eiere en soep komt brenge.

JO, ruw: Jouw zoons zijn wel in weer en wind uit voor haar en d'r vader...

KNIERTJE: En voor òns...

JO: En voor òns... Een stilte. De zee is zo wild...

KNIERTJE: Ben je weze kijke?...

JO, angstig: Ik kon niet tegen de wind op -- de halve wering is weggeslage... de pier staat onder... Een stilte. Kniertje bidt. O! O! 'k Ben kapot van die smerige verhale!

KNIERTJE: Ik herken jou niet vanavond -- Ben je ooit zo geweest toen Geert bij de marine voer? Ga na je bed -- en bid -- bidde is de énige troost -- 'n zeemansvrouw mot niet zwak weze. Over 'n paar maande stormt 't weer, tellekes weer -- en d'r zijn meer vissers op zee dan onze jongens. Haar praten gaat in zacht prevelen over -- de ouwe vingers betasten de rozenkrans.

JO: Barend hebbe we weggejaagd -- tot 't laatst heb 'k 'm gesard... Ziende dat Kniertje bidt, loopt ze handenwringend naar het raam, trekt het gordijn aarzelend op, staart door het glas. Dan, voorzichtig, opent zij een der vensterdeuren. De wind buldert het gordijn omhoog -- de lamp danst -- ploft uit. Snel trekt zij het raam dicht.

KNIERTJE, driftig van angst: Da's toch gekkewerk! Blijf met je pote van 't raam!...

JO, kermend: O! O! O!...

KNIERTJE, hevig angstig: Hou je bèk! Zoek dan de lucifers! Haast je dan wat! -- Naast 't zaapbakkie! Een stilte. Heb-ie ze?... Jo steekt huilend angstig de lamp aan. 'k Ben gewoon koud geworde! Tot Jo, die snikkend bij het vuur hurkt... Wat zit je nou?

JO, drenzend: 'k Ben bang...

KNIERTJE, angstig: Mot je niet weze...

JO: As 'r iets gebeurt -- dan -- dan --...

KNIERTJE: Wees nou verstandig en klee je uit...

JO: Nee, 'k blijf hier de hele nacht.

KNIERTJE: 'k Vraag je -- hoe 't dan mot -- as jullie getrouwd -- as je zellef moeder...

JO, hartstochtelijk: Je weet niet wat je zeit -- je weet niet wat je zeit, tante Knier! As Geert. Stokt hijgend. -- 'k Heb 't je niet durve zegge...

KNIERTJE: Is 't tussen jou en Geert... -- Jo snikt hevig. Da's niet mooi van je -- niet mooi om geheime te hebbe -- jouw jongen -- jouw màn, is mijn zoon. Een stilte -- de wind giert. Kijk niet zo in 't vuur -- huil niemeer. 'k Zal geen harde woorde zegge -- al was 't verkeerd -- van jou en van hem. -- Kom, ga over me zitte -- dan zulle we samen... Legt haar gebedenboek op tafel.

JO, wanhopig: Ik wil niet bidde...

KNIERTJE: ...Niet bidde?

JO,gejaagd: As 'r iets gebeurt...

KNIERTJE, heftig: ...'r Gebeurt niks!

JO, woest: ...As 'r iets -- iets -- iets -- dan bid 'k nooit meer, nooit meer -- dan is 'r geen God en geen moeder Maria -- dan bestaat 'r niks...

KNIERTJE, angstig: Praat niet zo...

JO: Wat heb je an 'n kind zonder man...

KNIERTJE: Mag jij dat zegge?

JO, met het hoofd op de tafel bonzend: ...Die wind maakt me gek, tante!...

KNIERTJE, slaat het gebedenboek open, tikt Jo op de arm. Jo kijkt hartstochtelijk-snikkend op, ziet het gebedenboek, schudt heftig neen, valt weer met het hoofd, jammerend, op tafel. Angstig klinkt Kniertjes bevende stem: O barmhartige God, ik hoop met een vast vertrouwen... De wind loeit met wilde zwiepingen over het huis.


Naar het vierde bedrijf