EERSTE BEDRIJF

De armoedige woonkamer van Kniertje. Links, tweebedsteden en deur. Rechts, een ladenkast met heiligenbeeldjes, pullen en portretjes. Een schouw. Achter, klinkdeur naar het kookhok, glazenkast, kooi met duif, raam met bloempotten.
Middag.

EERSTE TONEEL

Cobus, Clementine, Daantje

CLEMENTINE, 'n schetsboek op de knie: Nou dan! -- Cobùs!

COBUS, poserend, schrikt wakker, glimlacht: Hè-hè-hè! Ikke heb niet geslapè... Nee, néé...

CLEMENTINE: Hoofd meer zó! -- Nog meer -- Wat zanik je nou! Strakjes zat je zo leuk. En -- je hand op je kníé...

COBUS: Tja -- as je zo lang ztil zit -- krijg je 't te pakkè...

CLEMENTINE, ongeduldig: Zou je nou asjeblief, às-je-blief níét willen pruimen?

COBUS: Ik -- ikke pruim niet. Kijk maar.

CLEMENTINE: Hou dan je mond dicht.

DAANTJE, binnentredend door kookhok: Dag saam.

CLEMENTINE: Dàg. Ga nog maar 'n hoekje om.

DAANTJE: Nee, juffrouw -- 't wordt tijd. Nou -- ik zou 'm nog niet herkenne.

CLEMENTINE, glimlachend: O.

DAANTJE, zijn bril verzettend: Ziet-u -- as 'k zo vrij mag zijn -- z'n kin staat ànders -- en -- en z'n óge bevalle me niet -- maar z'n neus die is 'm -- en -- en -- z'n dassie da's màchtig -- daar zou je op zwere.

CLEMENTINE: Zo.

DAANTJE: ...En de bedstee met de gordijne..'t Is me 'n bik. Neemt een pruim. Kan u mijn niet is gebruike?

CLEMENTINE: Misschien. Hand hoger! Je mònd stil.

COBUS: Da's makkelijk ezeid -- as ú gewoon is te pruime en je niet pruime màg -- dan kun je je lippe niet vàsthoue. Wat zeg jij, Daantje?

DAANTJE: Ik zeg dat 't tijd wordt. We ete om vier en de moeder is làstig.

CLEMENTINE: Dat zal met jullie ouwetjes wel nodig zijn.

DAANTJE, een stoel bijschuivend: Pèh! We hebbe nog al wat in te brengen! Niet dàt! 'n Diakenie is me'n bik. Vrete met snauwe -- of je 'n bedelaar ben. Vanmorrege koffie as -- as 't onderste uit de regenton -- en errete zo hard as je eksteroog.

CLEMENTINE: In jouw plaats -- hou je mond stil -- zou'k God danken dat me ouwe dag bezorgd is.

COBUS: Tja/tja je mag je niet bezondige...

DAANTJE: God dànke? Néé hoor. Me hele leve gevaren -- hoeveel reize wel? -- niet te telle -- schipbreuk gehad -- gebrek gehad -- gevaren van me tiende -- èn twéé zoons op zee verloren. Nee hoor. Nee hoor. De moeder is 'n krèng. Je zou d'r op d'r smoel slaan...

CLEMENTINE: Nou! Je bent hier niet in de kroeg.

DAANTJE: Dat ben 'k net niet. Maar 't gaat je tot híér zitte. Verlejen week mocht ik niet uit, omdat 'k met je permissie, náást 't bakkie gespoegd had. Zeg u nou zèllef -- zou ú met opzet náást 't bakkie spoege? 'n Diakenie is 'n gevangenis. Hebbe ze je opgeborrege dan zijn ze je kwijt. 'k Wou da'k met fassoen door de haaie gevrete was, toen 'k nog voer...

COBUS, giechelend: Hè-hè-hè! De haaie luste jou niet. Je bent te taai, man.

CLEMENTINE: Hou je lippen stil!

COBUS: Tja, tja.

DAANTJE: De haai lùste me niet...'n Karkas slikke ze nog. Pèh! De ouwe Willem heb 'k voor me oge in tweeën zien bijte dat 't bloed 'r uit spoot. En die wàs mager.

CLEMENTINE: Is de ouwe Willem door 'n haai opgegeten?

DAANTJE: Door één? Door zès. Zo as/die overboord sloeg hadde ze 'm te pakke' 't Water zag rood.

CLEMENTINE, glimlachend-ongelovig: Hè, wat vreselijk! En toch zou 'k 't wel is willen meemaken -- zo iets.

DAANTJE: Pèh! Wille meemake...Wij mòtte...

CLEMENTINE: Heeft-ie geschreeuwd?

DAANTJE: En hoe!

COBUS: Tja, je zal niet schreeuwe als je de tande in je bille voelt -- hè/hè/hè! Buiten klinkt 'n viool. Op de maat der muziek schokkert Cobus in z'n stoel. Tadelade --- dadada --.

CLEMENTINE, driftig het schetsboek sluitend: Daar dan! Opstaand. Morgen ben je rustiger hoor!

COBUS, zich uitrekkend: Helemaal stijf! Danst knipvingerend met waggelende beentjes. Tadelada --- dadada.

DAANTJE, bij het raam: Psst! Niemand thuis.

TWEEDE TONEEL

De vorigen, Jelle, Barend

JELLE, voortspelend: Asjeblief!

DAANTJE: Niemand thuis!

JELLE: Ik kom vàst eens in de week.

DAANTJE: Ze zijn na de haven.

CLEMENTINE: Daar! Smijt iets het raam uit.

JELLE, ophoudend: Dank u wel. Zoekt.

COBUS: Achter die steen, stommerd.

DAANTJE: Nee- meer dáár.

CLEMENTINE: 'k Heb 't díé kant uitgesmeten. Hè, wat 'n ezel! Is/die zó kippig?

COBUS: Hij heit maar 'n hallef oog -- en met 'n hallef oog zie je niet veel. Achter je!

JELLE: Ik zie niks.

DAANTJE: Psst! Hè! Barend help is 'n handje!

CLEMENTINE: 'r Moet 'n dubbeltje liggen.

BAREND, een mand wrakhout op de rug: Geef 't 'm dan in z'n pote. Bonst de mand neer. Hier! Draagt het hout door het kookhok.

JELLE: Duizendmaal bedankt, juffrouw. Loopt spelend door.

COBUS: Hè/je/die kwajongen gehoord?

CLEMENTINE, tot Barend: Zeg 'ns, grote aap, had je 't tegen mij?

BAREND, schuw verlegen: Nee, juffrouw. 'k Wist niet dat ú hier was. Ik dacht...

COBUS: Je mot niet denke -- je mot denken om weer zo gauw mogelijk na zee te gaan -- en brood voor je moeder te verdiene.

BAREND: Bemoei je 'r niet mee...

COBUS: Hoor --tegen mijn het/ie praas -- en anders staat/ie met z'n bek vol tande -- ik ben niet bang -- hèhèhè -- ik doe niet in me broek as 'k vare mot.

DAANTJE: Kom nou. 't Heit vier geslage.

CLEMENTINE: Morgen, tíén uur, Cobus...

DAANTJE: Kan niet juffrouw. We motte steentjes krabbe.

COBUS: Ja, we motte steendtje krabbe.

CLEMENTINE: Weer wat nieuws! Wat is dat?

DAANTJE: Nou -- 't onkruid krabbe op de binnenplaas.

CLEMENTINE: Morgen-middag dan?

COBUS: Tja -- dan zal 'k'r weze. Neemt een pruim uit Daantje's doos. Dag juffrouw. Dag lutjebroek. Hèhèhè!....

DERDE TONEEL

Barend, Clementine

CLEMENTINE, haar hoed vaststekend: Die plaagt je nog al is, hè?

BAREND, schuw lachend: Ja juffrouw.

CLEMENTINE: Ben je aan 't zoeken geweest op 't strand? Hij knikt verlegen. Veel gevonden?

BAREND: Nee -- 't was vannàcht eb -- en dan -- en dan -- stokt.

CLEMENTINE: Ben je nou héús bàng, domme jongen, om te varen? Hij knikt lacherig. En ze doen 't allemaal...

BAREND, bot: Ja, ze doen 't allemaal.

CLEMENTINE: 'n Man moet niet bang zijn...

BAREND: Nee, dat mot 'n man niet.

CLEMENTINE: Nou dan?

BAREND, aarzelend: Ik blijf liever an wal...

CLEMENTINE: Ik zal je niet dwingen... Hoe oud ben je?

BAREND: Vorige maand afgekeurd voor de dienst.

CLEMENTINE: Afgekeurd?

BAREND: Voor me -- voor me -- ja, dat weet 'k niet -- maar àfgekeurd.

CLEMENTINE, lachend: Da's 'n gelukkie -- 'n bange soldaat...

BAREND, kort-opvlammend: An wal ben 'k niet bang -- laat ze maar opkomme -- dan haal 'k ze 'n mes door d'r ribbe!...

CLEMENTINE: Mooi!

BAREND, weer zakkend in verlegenheid...: Neem me niet kwalijk, juffrouw. Zwak getoeter van een stoomboot...Da's de 'Anna' -- d'r is 'n dooie an boord.

CLEMENTINE: Weer 'n dooie?

BAREND: De vlag hing -- halfstok.

CLEMENTINE: Nummer twee van de week. Eers de 'Agatha Maria'...

BAREND: Nee, 't was de 'Charlotte'...

CLEMENTINE: O ja! De 'Agatha' was de vorige week. En is 't al bekend wíé. Hij knikt ontkennend. Ben je dan niet nieuwsgierig?

BAREND: Och -- je went 'r an -- en van ons is 'r niemand op -- verlegen triestig -- vader kàn niet -- Jozef kàn niet -- Hendrik kàn niet -- die -- dat weet u wel -- en -- en -- Geert nou die zit nog altijd in de kast....

CLEMENTINE: Ja -- díé heeft wat 'n schànde over jullie gebracht.

BAREND, wrokkig: Schande...schande...

CLEMENTINE: Wanneer komt-ie vrij?

BAREND: Wete we niet...

CLEMENTINE: Weet je niet?

BAREND: Zes maande hebbe z'm gegeve -- zès maande -- maar de voor-arrest ging d'r af -- en hoe lang die duurde wete we niet.

VIERDE TONEEL

De vorigen, Kniertje

KNIERTJE, door het raam: Dag juffrouw.

CLEMENTINE: Daàààg!

KNIERTJE: Hoe komme de kippe nou los? Kijk de haan nou toch is! Ga je weg sallemander! Kisjt! Vort! Jo!Jo!...

BAREND: Laat ze maar lope. Ze gaan al vanzelf.

KNIERTJE, binnentredend: Da's 'n geduvel zonder end, juffrouw! Toe steek je pote nou 's uit! Motte we weer mot met Arie krijgen?

BAREND, lijzerig: Dan zàlle we mot krijge. Onverschillig af, jaagt buiten de kippen op.

KNIERTJE: Dàn zàlle we...Zo'n lam stuk jongen mot 'r nog gebore worde ...Doodvreter! -- Gaat u al weg?

CLEMENTINE: 'k Ben nieuwsgierig wat 'r met de 'Anna' gebeurd is.

KNIERTJE: Ja -- ik was ook al op weg -- maar 't kon nog zo lang dure -- en 'k heb me buik vol van dat wachte op de pier ... Is u klaar met 't portrettere van me broer?

CLEMENTINE: Morgen. Ik wil Barend ook wel is tekenen -- zo als ie strakkies binnenkwam met 'n mand hout op z'n schouers.

KNIERTJE: Bárend? Nou, mijn goed.

CLEMENTINE: Die schijnt hier niet èrg vertroeteld te worden.

KNIERTJE, verveeld: Dàt mos 'r bijkomme. Vertroeteld! Hoe eerder 'k 'm kwijt ben hoe liever! Door 't raam. Jaag ze dan op! Kisjt! Kisjt!

BAREND: De haan wordt bang van al dat schreeuwe.

KNIERTJE: Dan slacht-ie jou wat! Kisjt!

CLEMENTINE: Hahaha! Hahaha! Nou die zit lekker op. Arie z'n dak.

VIJFDE TONEEL

De vorigen, Jo

JO, door linkse deur -- bruin voorschoot -- rooi-ijzers aan de zwarte handen: Dàg juffrouw.

KNIERTJE, nijdig: De kippe zijn los! De haan zit op Arie z'n dak.

JO, vrolijk lachend: Hahaha! Dáár zal ie toch geen eiere legge!

KNIERTJE: Hoor haar! En nou wéét ze dat 't laatst op vechte af is geweest omdat ze in z'n aardappelveld liepe!

JO: 'k Heb ze zèlf losgelate, ouwe brombeer -- Truus het gister gerooid.

KNIERTJE: Zeg 't dan dadelijk.

JO: Nee maar, wat doe ik nou ànders? O juffrouw -- die wordt alleen mens as ze gromme kan. 's Nachts as ze slaapt knort ze nòg hardop. Vannacht het ze in d'r droom gevlóékt! Hahaha! Nou maar je màg! Snauw jij maar, hoor! Je ben toch 'n goeie ouw! Tot Barend die binnenkomt. Ach stumper! Zit de haan op 't dak? En wil-ie er niet afkomme?

BAREND: Schei uit!

JO: Wedde dat as je met de kippies vrijt dat de haan jaloers wordt en vanzelf naar benee tippelt? Hahaha! Hij ziet 'r wit van!

CLEMENTINE: Nou, nou!

JO: Hij moet bakker worde, wat tante? Met je blóte voetjes in 't roggemeel! Hahaha!

BAREND: Jullie kunne allemaal!....Driftig af, links.

JO, nasarrend: Stakker!...

CLEMENTINE: Nou -- plaag niet zo ... Ben je an 't rooien?

JO: Tja van vanmorge vier uur af. Niks gedaan tante -- allemaal rot en kriel.

KNIERTJE: 'n Arm mens wordt wèl bezocht -- regen en regen -- de boel mòst rotte -- d'r was geen houe an -- en zo ga je de winter in -- de harde winter -- ach, ach, ach!

JO: Hè, wat zanik je weer. Toe làch nou is. Ben ik zo hangerig? Geert kan elk ogenblik werom komme èn...

KNIERTJE: Geert -- en wat dan?

JO: Wat dan? Dan -- dan -- Dan niks! Vrolijk zijn. Met knieze en gromme win je geen aardappel meer. Ja, zo mot'k de hele dag prate... 'k Heb 'n konijn gevangen. O zo!

CLEMENTINE: Gesprenkeld?

JO: En netjes. Die schooier wou van ons armopedje meevrete. Ja-wel. We láte ons begappe! Net terwijl 'k an 't rooie ben, zegt de sprenkel: knàp -- 'n vette hoor -- veertig cente minstens!

CLEMENTINE: Da's leuk! Nou ik ga.

ZESDE TONEEL

Kniertje, Jo, Clementine, Bos

BOS: Hallo! Blijf je hier helemaal logere? Mag 'k 'r in komme?

KNIERTJE, vriendelijk: Natuurlijk, meneer. Asjeblief, meneer.

BOS: 'k Heb vuile pootjes, kindere.

KNIERTJE, lief: Hindert niks, meneer. Droog zand is geen ongeluk -- ga u zitte.

BOS: Daar zal ik níét nee op zegge. Ja, Knier, we worde 'n daggie ower, meid. Dag nichie.

JO: Dag meneer, U ziet ... Wijst lachend haar handen.

BOS: Mot je na bal met je handschoentjes?...

JO, knikt uitdagend: De horrelepiep en de schotse drij! -- Hè!

BOS: Hahaha! Jij ben 'n brutaal zwartogie. Tot Clementine. Nou? Laat 's kijken.

CLEMENTINE, kribbig: Nee. Daar hebt-u toch geen verstand van.

BOS: O. Dank u. Breng 'n dochter groot, leer 'r tekene, maar je neus 'r buiten. Kom! Doe niet kinderachtig!

CLEMENTINE, verwend kribbig: Nee. As 't àf is.

BOS: Een ogenblikkie.

CLEMENTINE: Hè, pa zanik zo niet. Dat gezeur!...

BOS: Alweer een standje te pakken, hahaha!

ZEVENDE TONEEL

De vorigen, Barend

BAREND, verlegen: Dag meneer.

BOS: Barendje -- je komt alsof je geróépen was.

BAREND, lacheri-verwonderd: Ikke?

BOS: We hebben je nodig, ventje.

BAREND: Goed meneer.

BOS: Je wordt 'n hele kerel. -- Hoe lang loop je nou al zonder werk?

BAREND, schuw: Drie verreljaar...

KNIERTJE: Dat liegt-ie -- meer dan 'n jaar...
BAREND: Niewaar!

JO: Wel waar! Reken maar op...november...december...

BOS: Goed, goed, kinderen. Geen kwestietjes. 't Leven is zo kort.... Nou, Barendje -heb je lust in de 47?... Wat?...

BAREND, angstig: De 47....

BOS: De 'Op Hoop van Zegen'...

CLEMENTINE, verwonderd: Wil u de 'Hoop van Zegen'...

BOS, scherp: Hou je 'r buiten! Hou je 'r buiten, zeg ik!

CLEMENTINE: En vanmorgen nog...

BOS, driftig: Clementine!

CLEMENTINE: Maar pa...

BOS, heftig met de voet stampend: Wil je asjeblief vooruit gaan?

CLEMENTINE, schouderophalend: Wat flauw om kwaad te worden -- hè, wat klein -- Bonjour!

KNIERTJE: Dag juffrouw....

ACHTSTE TONEEL

Kniertje, Jo, Barend, Bos

BOS, glimlachend: Precies d'r mama. 'n Katje, hè? Ja -- bij tijden mot je 'n duvel zijn, hahaha! Anders zouen m'n vrouw en m'n dochter de rederij waarnemen -- en ik in de keuken de aardappels schillen, hahaha! Ofschoon 'k dat ook wel gedaan heb in me jonge jaren.

KNIERTJE: Of 'k me dat herinner...

BOS: Aardappels met 'n verse haring. Smakt met de lippen. Maar voorbij, voorbij. Met 'n vloot van acht loggers staat je kop naar andere zaken -- glimlachend, al zie 'k nog graag zo'n paar zwarte ogies, brutaaltje! Mag 'k toch wel zeggen? Ongevaarlijk -- tijd gehad -- hahaha!

KNIERTJE: Ga uw gang maar....

BOS: En ons vrindje?

KNIERTJE: Doe dan je bek open.

BAREND: Ik wou liever....

KNIERTJE, nijdig: Liever...líéver!

JO: Hè -- wat 'n mispunt!...

BOS: Kinderen! Geen ruzietjes!...Jong, je mot 't zelf weten. De 'Hoop van Zegen' heeft 't vorig jaar op de haringvangst, in 'n teelt van vier reizen, de besomming van veertienduizend gulden gemaakt -- de equipage is kompleet -- Hengst is schipper -- de matrozen zijn 'r op één na... de jongste, de reepschieter, de afhouer -- alles is voorzien -- nou dacht de schipper an jou as oudste -- driwkwart, jong.

BAREND, zenuwachtig-aarzelend: Nee-nee, meneer...

KNIERTJE: O, zo'n koppig kreng! 'k Kan 'm niet an boord ransele...

JO: Als ik 'n man was...

BOS: Ja, maar dat ben jij nou niet -- jij bent 'n knappe meid -- hahaha! Zulke matroosjes kunnen wij niet gebruike. -- En waarom wil jij niet, vadertje? Bang voor zeeziekte? Je hebt toch al 'n teelt meegemaakt als afhouer en as middeljongen...

KNIERTJE: En as speeljongen, meneer!

JO: Hij slentert en schooiert liever -- Uh, wat 'n pietermannetje...

BOS:Je doet èrg dom, jong. Met je grootvader heb 'k zelf gevaren -- ja, toen had 'k ook liever bij moeders pappot gezeten, dan prikken levend gehouden met handen as klompies ijs -- en liever in 'n verse boterham gehapt as prikkekoppen afgebeten ... En je vader ...

BAREND, hees: Me vader is verzope -- èn me broer Jozef -- èn me broer Hendrik -- Nee -- ik vertrap 't ...

BOS, opstaand, vriendelijk: Ja -- as-die zó denkt, is 't beter 'm niet te dwingen, moeder Kniertje. Dat kan 'k meevoelen. Mijn vader is ook niet op z'n bed gestorven -- maar as je zo doorredeneert, leit de hele visserij op 'r gat -- of we motten met 'n simmetje uitgaan op baars en bliek en palinkies ...

KNIERTJE, driftig: 't Is om te...

BOS: Lauw! Lauw! Met geweld vang je nog geen katterige haring...

JO, lachend: Die zou ik wel is wille zien!

BOS, lachend: Dat gelooft ze niet, Knier! Wij weten béter, wat?

KNIERTJE: Ach -- ik vin 't niet om te gekke, meneer. Die beroerde kwajongen praat 'r van alsof ik me man -- en die goeie Jozef -- en -- en -- vergeten ben -- maar dat ben ik niet -- dat ... Eindigt in zacht snikken.

JO: Mal mens! Toe? Tantetje-lief! Lamzak! Draak! Stuk chagrijn!

BOS: Niet huilen, Knier!... Met huilen maak je de dooien niet levend...

KNIERTJE: Nee, meneer -- dat weet 'k wel, meneer. De volgende maand wordt 't twaalf jaar dat de 'Clementine' op 't Zand is gebleven...

BOS: Ja, 't was de 'Clementine' -- in achtentachtig.

KNIERTJE: November achtentachtig... Toen was hij zeven. Wou zo'n app daar nou meer van wete as ik?

BAREND, nerveus: Dat heb 'k niet gezeid. 'k Ken me vader helemaal niet -- en me broerd niet ... Maar -- maar --

BOS: Nou dan?

BAREND: 'k Wil een ander vak. Niet op zee -- nee...

KNIERTJE: 'n Ander vak? Kan je wat anders? Nog niet leze of schrijve....
BAREND: Is dat mijn schuld?

KNIERTJE: Nee -- 't is de mijne. Drie jaar heb 'k ondersteuning gehad -- de andere negen kon 'k rondscharrele...

BOS: Vergeet je mij nou totaliter?

KNIERTJE: Daar blijf 'k u dankbaar voor, meneer. As'k bij u en bij de pastoor niet had kenne werke of is'n warrem kliekkie hale -- dan -- dan --! En dat verwijt de snotneus me nog!

BAREND: Ik verwijt niks...Ik...ik...

JO: Kom uit je wóórde. Meneer zoekt 'n plasie om van z'n cente te leve.

BAREND: Jij kan!...Ik wil alles, zandgrave, helmenplante, inzoute, ik wil metselaar worde of timmerman of loopjongen...

JO: ...Of burgemeester! Of veldwachter! Hahaha! En 's nachts in 't donker lope -- om de diefjes te pakken...O! O! Wat 'n stùk van 'n man!...

BOS:...Brutaaltje!

BAREND: An jou heb ik maling!... Heb 'k 'n woord geklaagd toen laatst 't zout 't vlees van me pote vrat, toen 'k niet slape kon van de pijn?

KNIERTJE: Metselar worde...De jonge is gek! Timmerman worde...Hoeveel keer krijgt 'n metselaar 'n ongeluk? Elk vak het wat anders.

BOS: Ja, Barendje -- 't is wel onnozel. Denk is an de mijnwerkers, de machinisten, de stokers -- de -- de... Hoe dikwijls klim ik niet langs een valreep? Hoe dikwijls roei ik niet naar 'n logger? Kuren, ventje! Daar mot je niet an toegeven.

KNIERTJE: En we hèbbe geen keus. God alleen weet hoe de winter zal zijn -- al de aardappels zijn in 't late najaar verrot, meneer...

BOS:...Ja --da's in de hele streek. -- Nou joggie?

BAREND: Nee, meneer.

KNIERTJE, driftig: As je dan maar 't huis uit rukt -- opvreter!

BAREND, dof: Goed, moeder.

KNIERTJE: Mars! 'k Zou 'm ... Dreigt.

BOS: Kom, kom. 'n Stilte. Barend loopt schuw heen.

NEGENDE TONEEL

Kniertje, Jo, Bos

JO: As ik zo'n zoon had...

BOS: Maak eerst dat je 'n vrijer krijgt...

JO, glunderend: Die hèb ik hoor!...As ik zo'n zoon had, sloeg ik 'm links en rechts! Bah! 'n Bànge man! Luchtig. 'n Zeeman weet niet beter of vroeg of laat. Daar denkt-ie niet over... As Geert zo was... dan weet 'k wel dat... Verbeel je tante -- Geert.

BOS: Geert?

JO: Die staat de duvel -- wat tante? Nou, 'k ga afrooie. Dag meneer.

BOS: Zeg, zwartogie -- lach jij nou àltijd?

JO, schaterend: Nee, 'k zal huile! Daàààg! Terug in de deuropening. Tante -- spreek 's over Geert.

TIENDE TONEEL

Kniertje, Bos

BOS: Geert -- is dat je zoon, die...

KNIERTJE: Ja meneer.

BOS: Zès maanden?

KNIERTJE: Ja meneer.

BOS: Insubordinatie?

KNIERTJE: Ja, meneer -- z'n handen niet thuis gehoue...

BOS: Stomme bliksem!

KNIERTJE: Ik denk dat z'm gesard hebbe...

BOS: Dà's larie! Sarren doen ze niet bij de Marine. 'n Mooie boel! 't Gezag zou voor de haaien zijn, as 'n matroos maar opstoppers had uit te delen, as'm iets niet beviel.

KNIERTJE: Da's wel waar meneer, maar...

BOS: En is zij op die ... deugniet verkikkerd?

KNIERTJE: Ze is dol met 'm. En dat mag. 't Is 'n knappe jongen -- net z'n vader -- en sterk -- Daar hangt z'n portret -- toen droeg-ie nog z'n uniform -- eerste klasse -- nou is ie...

BOS: Gedegradeerd?...

KNIERTJE: Nee--weggejaagd-- as-ie vrij komt... De braniekraag stond 'm zo kwiek -- tweemaal in Indië geweest -- 't is hard -- en as-ie volgende week -- of over veertien dage -- of morgen -- 'k weet niet wanneer werom komt, heb'k'm ook op me dak -- ofschoon -- dàt mot 'k van 'm getuige -- hi8j 'r geen gras over zal late groeie -- Zo'n reus vindt overal 'n schipper.

BOS: 'n Lekker dier...

KNIERTJE: As jongen is-ie al op de geepreis geweest.

BOS: 'k Zal je één ding zeggen, Knier -- liever neem 'k 'm niet --ontevrejen rakkers zijn 'r tegenwoordig genoeg -- Wat van de Marine komt -- dat is -- verdomd 't is wáar -- dat is róód op de graat -- rooien blief ik niet. Gelijk?

KNIERTJE: Zeker meneer. Maar mijn jongen...

BOS: Jawel...Lauw! Jacob -- de kromme Jacob heeft de schipper ook an de dijk motte zetten. Die was, godbetert, met alles ontevrejen -- die dacht dat'k met de besomming knoeide. -- Ja -- Ja. Krankzinnig. Nou probeert ie 't in Maassluis. Bij ons geen fratsen.

KNIERTJE: Mag 'k 'm dan na de schipper zende -- of direk na 't kantoor van de waterschout?

BOS: Maar je zègt 'm...

KNIERTJE: Ja meneer.

BOS: Komt-ie bijtijds dan kan-ie op de 'Hoop van Zegen'. Net van de helling. De proviand en de vaten worden 'r in gebracht -- en terug met 'n volle lading -- dat weet je.

KNIERTJE, blij: Ja meneer.

BOS: Nou -- ajuus! Buiten stemgemompel. Wat is dat?

KNIERTJE: Mense die van de haven terug komme -- de 'Anna' het 'n dooie.

BOS: De stopomtrawler van Pieterse? -- Sjongen! Wíé is 't?

KNIERTJE: 'k Weet niet. 'k Ga effe hore.

ELFDE TONEEL

Geert, Barend

Het toneel blijft ledig. Buiten vaag gemompel. Pratende vissers gaan het raam voorbij. Een kerkklokje luidt. Geert sluipt de linkse deur binnen, smijt 'n pakje in rode zakdoek neer, kijkt schuw in de bedsteden, in het kookhok, loert door het raam. Dan, grommend, plomt hij bij de tafel, de hand onder het hoofd, staat wrokkend op, neemt uit de achterkast het brood, snijdt een bomp, loopt, kauwend naar de stoel terug, laat de homp grimmig vallen, staart voor zich uit. Het kerkklok-gelui houdt op.

BAREND, uit kookhok: Wie? ... Geert!

GEERT, nors: Ja -- ik ben 't...nou, je mag me wel 'n poot geve.

BAREND, drukt zijn hand schuddend: Heb je -- heb je moeder al...

GEERT, nors: Nee. Waar is ze...

BAREND: Moeder die ... die...

GEERT: Wat sta je me bezopeeen an te kijke?...

BAREND: Je -- je... Ben je -- ziek geweest?

GEERT: Ziek? Ik wor niet ziek.

BAREND: Je ziet zo -- zo wit...

GEERT: Zeg maar bedonderd. Geef 't spiegeltje is an -- Verdomme! Wat 'n smóél! Smijt 't spiegeltje woest neer.

BAREND, angstig: Heb je 't beroerd gehad in de -- kast?

GEERT: Nee, lèkker! -- Wat 'n vraag -- Je krijgt 'r biefstuk te vrete! Is 'r klare in huis?

BAREND: Nee.

GEERT: Haal dan wat -- As 'k geen druppie krijg -- sla 'k zo tegen de vlakte.

BAREND, verlegen: 'k Heb geen cente...

GEERT: Ik wel. Peurt in z'n zak, smijt een handvol op tafel. In de kashet -- verdiend. Daar !...

BAREND: Bij de rooie om 't hoekie?

GEERT: Kan me niet verdomme -- as je maar opschiet! Hem naroepend -- Is --is moeder gezond? Een stilte -- En Jo?

BAREND: Die is an 't rooie...

GEERT: Hebbe ze de pest an me?

BAREND: Waarom?

GEERT: Omdat 'k... Kwaadaardig. Kijk toch niet zo bezopen!

BAREND, verlegen: 'k Mot nog an je -- hoe zal 'k 't zeggen -- an je ráár gezicht wenne...

GEERT: Ráár gezicht...Nùl 'k hou 'n bokkie!...Hadde ze de duvel in?...Nors. Nou?

BAREND: Dat weet 'k niet...

GEERT: Verrek -- jij weet niks! Een zwijgen -- Barend slipt weg.

TWAALFDE TONEEL

Jo, Geert

JO, met een gesprenkeld konijn in de hand: Jezis!... Laat het vallen. Géért!.... Vliegt op hem toe, slaat de armen om z'n hal, barst een zenuwsnikken los.

GEERT, dof: Schei uit! Dat verdomde geblèr -- schei uit!

JO, voortsnikkend: Ik ben zo blij -- ik ben zo blij ...

GEERT, grimmig: Nou! -- Nou!

JO: Ik kan 't niet helpe! Snikt heftiger.

GEERT, haar armen loswringend: ...Nou dan! 'k Kan zo'n boel leven niet an me kop hebbe...

JO, verschrikt: ...Zo'n boel leven?

GEERT, grommend: Dat snap je natuurlijk niet... Zes maanden alleen -alleen met je eigen vuil -- in 'n cel... Verblind de hand voor de ogen houdend. Laat 't gordijn wat zakke -- 't is hier 'n zon om dol te worde!

JO: God.... Geert...

GEERT: Toe dan! Da's beter.

JO: Is je baard?

GEERT: Me baard beviel ze niet... Die wou 't Rijk hebbe... Lelijk geworden, wat? 'k Zie er belazerd uit, wat?

JO, aarzelend: Jij? Nee. Hoe kom je 'r op? Je zou helemaal niet zeggen... Snikt opnieuw zachtjes.

GEERT: Wel verdomd! Heb je niks ànders te vertellen? Zij lacht nerveus. Hij wijst op z'n slapen. Grijs geworden, hè?

JO: Nee, Geert.

GEERT: Je liegt! De spiegel wegtrappend. 'k Heb 't zelf gezien. De schooiers, om 'n zééman op te sluite in 'n hok waar je niet lope kan, waar je niet spreke kan, waar je... Slaat woest met de vuist op tafel..

DERTIENDE TONEEL

De vorigen, Barend

BAREND: Hier is de jenever.

JO:...De jenever?

BAREND: Voor Geert...

GEERT: Bemoei je 'r niet mee... Is 'r geen glas? -- La-maar! Slikt driftig... Dat knapt op. Hoe laat is 't?

BAREND: Half vijf...

JO: Heb je brood genomen? Had je honger?

GEERT: Ja. Nee. Nee. Ja. 'k Weet 't zelf niet. Zet de fles weer aan z'n mond.

JO: Toe Geert -- niemeer... Je kan 'r niet tegen.

GEERT: Niemeer? Slikt. Torn! ... Hahaha! Da's de beste manier om je maag te looien! Nog geen vaam! Slikt. Torn! Kijk maar niet zo beroerd, meid -- 'k zal me niet bezuipe! Bah! 't Stinkt. Ongedierte. -- Is 'r proviand an boord?

JO, Kijk 's -- 'n vette, hè? Zèlf gesprenkeld. Raapt 't konijn op. Maar -- nog geen uur dood...

GEERT: Goed voor mòrgen. -- Hier, ga jij is wat inslaan -- wat ham en wat vlees...

BAREND: Vlees, Geert?

JO: Nee -- da's overdaad. As je dan vlees wil kope, bewaar dan de cente tot zondag.

GEERT: Zondag -- zondag.... Heb jij zès maande niks anders gevrete as roggemik, rats, páárdebone? 'k Ben te slap om een poot te verzette -- leg niet te dondere! Schiet op! En -- en 'n brok kaas! -- 'k Heb lust om me 'n koliek te vrete. Hahaha!! Zou ;ik nog 'n druppie? Barend af.

JO: Nee.

GEERT: Goed, geen druppie. Is 'r tabak?

JO: God wat vin ik 't prettig dat je weer vrolijk wordt. Ja, d'r is nog sjek in de pot.

GEERT: Mooi zo. Pràchtig. Is dat me ouwe pijp?

JO: Hè'k voor je bewaard.

GEERT: Met wie heb je gescharreld -- terwijl 'k zàt....

JO, vrolijk: Met ome Cobus!

GEERT: Jullie zijn allemaal tuig. Stopt, rookt. In geen half jaar de smaak in me bek gehad. Da's geen tabak, dampt -- lijkt wel hooi! Bah! De klare stinkt en de pijp stikt.

JO: Eet dan eerst...

GEERT, de pijp neerleggend: Slaap je nog altijd naast tante?

JO: En naast de varkens. We hebbe bigge.

GEERT, lachend: En ik moet weer op zolder?

JO: Daar leg-ie warm, vent.

VEERTIENDE TONEEL

De vorigen, Kniertje

KNIERTJE, buiten: Waarom is't gordijn neer?

JO, haar vinger op de mond: Sst! Gaat voor Geert staan.

KNIERTJE, binnen: Wat voer je uit? -- Wat is 'r met 't spiegeltje gebeurd? -- Wie zit...

GEERT, opstaand: Dag ouwetje...

KNIERTJE, schrikkend: God-allemachtig!

GEERT: Nee -- ik -- Geert ...

KNIERTJE, neerzittend: O, o, daar krijg 'k 'n hartklopping van...

GEERT: Hahaha! ... Die 's verdomd goed!... wil haar pakken.

KNIERTJE: Nee -- nee -- strakkies...

GEERT, driftig: Strakkies? Waarom stràkkies?

KNIERTJE, angstig-verwijtend: Je hebt me zo'n boel plezier gedaan...

JO, sussend: Wees nou stil...

GEERT: Ben je van plan te verwijte? 'k Heb genoeg an me kop gehad. En anders...

KNIERTJE: Anders...

GEERT: Pak 'k me boeltje...!

KNIERTJE: Da's z'n thuiskomst.

GEERT: Wou je da'k op't zondaarsbankje ging zitten? Ik dank je!

KNIERTJE, angstig -- op schreien af: Al die tijd het 't dorp 'r schande van gesproke... Je kon geen boodschap doen of...

GEERT, nors: Wie wat van me te zeggen het -- mot 't doen, waar 'k bij ben. 'k Ben geen dief en geen inbreker.

KNIERTJE: Nee -- maar je heb je hand opgeheven tegen je meerdere.

GEERT, woest: 'k Had 'm z'n strot motte dichtknijpe.

KNIERTJE: Jongen, jongen, je maakt ons allemaal ongelukkig. Begint te snikken.

GEERT, plomp stappend: Nommer twee... As 'n beest behandeld en hier gebliksem op de koop toe! Grijpt z'n pakje. 'k Ben in geen bui om -- om jou... Bij de deur -- aarzelt -- smijt ;het pakje neer. Nou! Zachter. Huil niet, moeder. 'k Zou zelf ... Verdomd!

JO: Toe-tantetje-lief...

KNIERTJE: Je vader leit ergens in de zee -- nooit zou-ie je mer angekeke hebbe, nóóit. En die het ook wat te verdure gehad.

GEERT" 'k Ben blij da'k anders ben -- niet zo onderworpen. 'n Hele toer om je te láte trappe! Ik heb geen vissebloed... Nou dan? Hóúwe we regen?

KNIERTJE, hem omhelzend: Als je maar tot inkeer komt.

GEERT, opstuivend: Morgen zou'k 'm weer de tanden uit z'n bek slaan.

KNIERTJE: Wat is 'r dan voorgevalle?

JO: Hè ja -- vertel -- ga nou is rustig zitte.

GEERT: 'k Heb lang genoeg gezeten, hahaha!... La-me maar lope -- dan hou 'k 'r de gang in. De pijp weer opstekend. Bah!

JO: Rook dan niet, ezel!

GEERT: Nou wil 'k -- Zonder jóú zou 't niet gebeurd zijn...

JO, lachend: Nee -- díé is goed.

GEERT: Goed... goed... 'k Had je voor 'm gewaarschuwd.

JO: Voor wie? Wat kles je nou!

GEERT: Voor die ploert... Weet je nog dat-je met 'm gedanst heb in de herberg van de rooie?

JO: Gedanst?...Ik?...

GEERT: ... De avond vóór we uitzeilde.

JO: Met die schele kwartiermeester? -- As 'k 'r 'n woord van begrijp!... Heb je met die... En je wou zelf...

GEERT: Kan je nee zegge, as 'n 'superieur' ...? An boord had-ie smoessies, hoorde 'k 'm de schipper vertelle, dat ie...

JO, driftig: Wat?

GEERT: Dat-ie -- dondert niet! -- Hij sprak van je of je de eerste de beste matrozenhoer...

JO: Ik! Zo'n gemene...

GEERT: Toen die in de kuil kwam na de hondewacht heb 'k 'm met 'n korvijnagel op z'n smoel getimmerd. -- Vijf minuten later zat 'k in de boeie -- zes dage 'r in gebleve -- spottend -- de provoost was vòl -- toen veertien dage provoost -- zes maanden cel -- en verbod om in de eerste tien jaar bij 'je' kóninklijke Marine te dienen. Dat verbod is goddome 't ergst!... Je zou je twee hande late kappe om 'r weer te kommen, weer genégerd te worde, weer uitgevloekt as 'n schooier, weer geregeerd as 'n slááf...

KNIERTJE: Geert, Geert...Zeg toch niet zulke woorden. 'r Staat geschreven...

GEERT, grimmig: Geschreven! Stond 'r maar wat geschreven voor òns...

KNIERTJE: Schaam je...

JO: Het-ie dan geen gelijk?

KNIERTJE: As-ie fatsoenlijk was gegaan na de kommandant...

GEERT: Hahaha! Je had matroos motte worde, moeder! Hahaha! Fatsoenlijk? Ze ware blij dat ze me knippe en sjeze konde! Toen 'k in de provoost zat, vonde ze krànte in me bulle, die 'k niet leze mocht -- en brochures, die 'k niet leze mocht -- dat dee de deur dicht... Anders hadde ze me derde klasse gemaakt...

KNIERTJE: Krante die je niet leze mocht?... En wáárom las je ze dan?...

GEERT: Waarom? Goeie sul?... Ach -- as 'k jouw onderworpen gezicht zie -- snap 'k geen kans om te zeggen wáárom! Waarom desertere ze -- waarom heeft nog geen twee weke vóór dat met mijn gebeurde, Piet de stoker twee van z'n vingers afgesnejen? Enkel om de lol! Moedwil! 'k Kan 't jullie niet kwalijk neme -- jullie wist niet beter en ik von 't pakkie mooi -- maar nou 'k hersens in me kop heb, zou 'k elkeen wel wille waarschouwe! -- 'n Kind, 'n kwajongen, die zich voor veertien jaar verbindt om te moorde...

KNIERTJE: Om te moorde! Jongen, zeg toch niet zulke vreselijke dinge -- je bent nog wat opgewonde...

GEERT: Opgewonde? Nee... helemaal niet -- eerder kapot. In Atjeh heb 'k meegevochte -- 'n arme verdommeling met 'n bajonet in z'n donder gestoken, dat 't bloed in me oge spoot. Daarvoor kreeg 'k de Atjeh-medaille. Die kan je nog vinden in me pakkie. Geef is op! Jo raapt het pakje op Barend komt binnen, kijkt toe. Waar zit dat ding? Rukt de medaille van z'n matrozenjekker, smijt haar uit het raam. Vort! 't Heit lang genoeg op me borst geklungeld!

KNIERTJE: Geert! Geert! Wie het je zo gemaakt! 'k Herken je niemeer...

GEERT: Wíé? Wie hebbe 'n stomme kwajongen, die geen tien kon tellen, voor véértien jaar geronseld? Wie hebbe 'm gedrild en gefokt voor 'n hondeleven? Wie hebbe 'm in de boeie geslagen toen-ie voor z'n meid optrad! De boeie -- je had is motte komme kijke -- hoe 'k 'r in liep te kreune as 'n beest -- met 'n ander beest in me buurt, die ook met ijzers an z'n klauwe liep, omdat-ie 'n brutaal woord had gezeid an de officier-van-de-wacht. Zes dage met die verdomde ijzers an je pote -- en geen kracht om ze te breke -- zes dage minder as 'n dier -- enkel vrij om gelucht te worden en te lopen na 't galjoen!...

JO: Praat 'r nou niet verder over... Je ben nog zo moe...

GEERT, in één grimmigheid van verhaal: .. Toen de provoost! ... Dat stinkende, donkere hok, waar je varkenskot 'n paleis bij is -- 'n hok zonder raam, zonder licht, 'n hok waar je niet staan kan, niet legge kan -- 'n hok waar ze je water en brood toesmijte: Hier hond -- vreet! -- D'r was 'n storm in die dage -- twee sloepe werde stukgeslagen -- je dacht dat je na de verdommenis ging -- dat je geen kip meer zou terugzien -- jou niet en jou niet en jou niet -- na de verdommenis in zo'n stinkend donker hol -- zonder aanspraak -- zonder de poot van 'n kameraad... Nee, laat me uitprate: 't Lucht me! Eén druppie nog! Drinkt vlug. Uit de provoost kwam 'k voor de krijgsraad. Daar heb je wat in te brenge! Smoel houen. Opzitten. Antwoord geven. Je bek weer houen. Gouwe epaulette, die oordele motte over 't tuig, dat God op de wereld geschòpt het om te diene, te saluere, te...

KNIERTJE: ...Jongen--Jongen...

GEERT:...Zès maande...zès maande om me te betere bij vrete dat je niet slikke kan -- roggemik, gort, erretesoep, rats... drie maande zakkies geplakt en as 'k kans zag van hònger de zure rotte stijfsel gevrete -- drie maande errete gezocht -- èn -- nou zal je me niet gelove -- 'k zal geen zee meer zien as 'k 'n woord lieg -- 's Avonds boven 't gaslicht, kookte 'k in me vuil wateremmer de errete die 'k gàppe kon. Dan werd 't hengsel heet, kon je 't niet meer vasthoue, vrat je ze -- half gaar --had je 'n vòlle maag... Dat, om je te betere, bij ons, om je te betere as je in drift 'n schoft geranseld heb die je meid -- 'n hoer noemde... en as je krante leest, die je niet lezen màg...

KNIERTJE, angstig: Da's wèl onrechtvaardig...

GEERT: Onrechtvaardig! Hoe dùrf je 't zegge! Vers van de zee -- in 'n cel -- geen wind en geen water en geen lucht -- 'n raampje met tralies in de hoogte zo groot als 'n patrijspoort -- de stank van je eigen vuil in de emmer -- en de nachte -- de verdomde nachte as je niet slape kon -- de nachte da-je opsprong en stapte as 'n krankzinnige heen en weer -- heen en weer -- afgepast vier stappe -- de nachte dat je maar zat te bidde om niet, niet -- dòl te worde -- en alles vervloekte, alles, àlles!... Laat het hoof zakken.

JO, na een lange stilte op hem toegaand, slaat de armen om z'n hals. Kniertje huilt. Barend staat suf...: Geert!...

GEERT: Nou! Laten we niet... Gromt, z'n tranen bedwingend. Vlammetje! Rookt. Nou, moeder! Scharrelt op 't raam toe -- tot Barend. Leg je lekkers maar neer... Haalt het raamgordijn op... De haan zit goddomme op 't dak, hahaha! ... wil je gelove da'k zo dálijk zou kenne uitzeile... Twee dage zee, zéé, zee en 'k ben weer de ouwe, wat?... Waarom loopt Truus te huilen?... Truus!

KNIERTJE: Sst!... Niet anroepe! De 'Anna' is net binnengelope zònder d'r man... Enige zachtpratende, bedrukte vrouwen gaan het raam voorbij: Stakker!...Zes kindere...

GEERT:...Is Ari...Zij knikt...Da's verdomd...Laat 't raamgordijn zakken.


Naar het tweede bedrijf