MATHILDE: Clémens...
DE BOEKHOUDER, lezend met de pijp in de mond: ...de navolgende strandgoederen,
als 2447 ribben, gemerkt Kusta, tien schroten gemerkt M.S.G....
MATHILDE: Hou effen je mond, Kaps...
DE BOEKHOUDER: ...vier dekbalke, twee spiere, vijf brailtjes...
MATHILDE, hem aanstotend: Lees strakkies maar verder.
DE BOEKHOUDER: Jawel, mevrouw.
BOS, ongeduldig: 'k Heb nou geen tijd.
MATHILDE: Dan máák je maar tijd. 'k heb de circulaire van
de torenklok opgesteld. Toe schel de burgemeester is op.
BOS, ongeduldig-schellend: Vlug dan! Ansluite met de burgemeester!
Ja! -- Dat gedonder terwijl 'k 't druk heb -- 'k zit tot over de ore --
lief. Is u daar? M'n vrouwtje...
MATHILDE: ...Of mevrouw effen an de telefoon kan komme voor de circulaire.
BOS, kribbig: Jawel! Jawel! Niet zo lang. Lief. Of mevrouw
'n ogenblik voor 't toestel... Precies burgemeester -- de dames niewaar,
hahaha! -- Die is héél goed. -- Kribbig. Nou? Wat mot
'k zegge? Maak 't kort!
MATHILDE: Hier lees de circulaire is voor. Dan kan die na de drukkerij.
BOS, kwaadaardig: Die hele lap! Ban je dol! Denk je da'k niks an
me kop heb! Die verdomde...
MATHILDE: Hou 'n beetje je fatsoen -- Kàps...
BOS: ...Loop naar de hel! -- Lief. Jawel mevrouw. Morgen mevrouw.
M'n vrouwtje... Nee, ze kan niet zelf an dtelefoon komme -- weet 'r niet
mee om te gaan. -- Kribbig. Waar is 't vod? Schiet op! -- Me vrouwtje
het de circulaire voor de torenklok opgesteld, luister u?... Datum postmerk,
M.M.... -- Wat zegt u? -- Heb u liever L.S.? -- Ja. Ja. -- Heel juist. --
Luister u? -- De Nieuwe Kerk is u zeker niet onbekend. -- Nee, zegt ze,
de stommeling! -- 'k Ben al an 't leze, mevrouw. -- Nog is: de Nieuwe Kerk
is u zeker niet onbekend. Die kerk heeft, gij weet het, een hoge toren.
Die hoge toren wijst naar boven, en dat is goed, dat is gelukkig en waarlijk
niet overbodi voor vele kinderen van ons geslacht...
MATHILDE: Lees toch wat duidelijker...
BOS: Hou je snater! -- Pardon -- dat was me boekhouder -- ja, ja, hahaha!
-- ...Maar die toren kon toch iets meer doen, dat ook goed is, ja zeer nuttig.
Hij kan ons, kinderen des tijds, ook de tijd bepalen. Dat doet hij niet.
Hij staat daar sinds 1882 en gaf nog nooit antwoord op de vraag 'Hoe laat
is 't?' Dat kon hij wèl dien. Hij is 'r zelfs op gemaakt. Er zijn
vier plaatsen zichtbaar, die gereserveerd zijn voor wijzerplaatsen. Op allerlei
wijze is sinds jaren -- zeg u wat? -- Nee? -- sinds jaren door de bevolking
uit de omtrek van die toren de wens uitgesproken, dat hij een klok mocht
krijgen. Circa f 3000 zijn nodig. wie helpt mee nu? De kommissie. -- Mevrouw...
Wat zegt u? -- Ja, de namen ken u natuurlijk. -- Ja, héél
aardig, héél aardig opgesteld. -- Jaja, al de dames van de
kommissie tekene natuurlijk in voor 't zèlfde bedrag. -- Honderd
gulden, ieder? -- Ja -- ja. -- Héél goed. -- M'n vrouw blijft
thuis. -- Mevrouw! Schelt nijdig af. Verdomde nonsens! Honderd gulden
na de weerlicht! Wat raakt 't jóú of'r 'n klok op dat ding
staat!
MATHILDE: 'k Zal je maar in je eigen vet late gaar smore.
BOS: Ze komt over 'n kwartier hier met d'r rijtuig. -- Nou, bejour!
MATHILDE: Bejour! Bejour! As je 's avonds wat minder grokkies dronk, zou
je 's morgens niet zo beroerd humeur hebben -- geef effen vijf gulden.
BOS: Nee. Nee! Je hebvanmorgen pas 'n rijksdaalder uit me beurs genomen,
terwijl 'k sliep. 'k Kan an de gang blijve!...
MATHILDE: Heb 'k 'n rijksdaalder? Wat 'n infame leugen! Net één
gulden! Bah, wat 'n man, om z'n cente te telle voor-ie na bed gaat.
BOS: Bejour! Bejour!
MATHILDE: Geef't niet! Dan kan 'k strakkies de burgemeestersvrouw op'n glaasje
jenever traktere -- drie kruike oude snik en geen enkele fles port of sherry...
Bos smijt driftig twee rijksdaalders neer. Zeg ben 'k je meid? Zonder
mij zou jij niet met rijksdaalders smijte! -- Bah! Nijdig af.
DE BOEKHOUDER, lezend: IJmuiden, 24 december. -- Heden ware an
de markt vijf sloepe met 500 à 800 levende en 1500 à 2100
dooie schelvis èn enkele levende kabeljauwe. De levende kabeljauw
het zeven en 'n kwart gedaan -- de dooie...
BOS: Heb-ie niks ànders te doen?
DE BOEKHOUDER: ...De dooie schelvis bracht dertien en 'n halve gulden de
mand op -- poontjes en rog...
BOS, het bureau bekloppend: 'k Weet 'r àlles van! Hier pak
an! Boek in! -- Sla is op de staat van uitbetaling van de 'Verwachting'...
DE BOEKHOUDER, zoekend: De 'Jacoba', nee! de 'Koninging Wilhelmina',
ook néé -- de 'Mathilde', néé -- de 'Hoop van
Zegen' -- da's goed voor fluite -- de 'Verwachting'...
BOS: Hoe groot was de bruto-besomming?
DE BOEKHOUDER: ... f 1443,47
BOS: Dacht'k wel --hoe kon je dan zo goddeloos stom zijn, om víér
gulden acht en tachtig voor 't Weduwen- en Wezenfonds uit te trekke.
DE BOEKHOUDER, cijferend: Laat 's zien. -- veertienhonderd drieënveertig
-- drie percent d'r af -- da's veertienhonderd -- da's an gage bruto driehonderdzevenentachtig
gulden -- ja, dan mot 't dríé gulden achtentachtig en níét
vier gulden achtentachtig weze...
BOS, opstaand: As je van plan ben hélemaal suf te worde --
dan staat 't gat van de deur voor je open. Jullie vergisse je,goddome altijd
an de verkeerde kant!...
DE BOEKHOUDER, vertrouwelijk-lachend" Daar zou wel wat tegen
te zeggen zij, meneer -- ik heb toch geen uitbrander gekregen, toen, toen...
BOS: Nou, genoeg, genoeg!...
DE BOEKHOUDER: ...En dat was 'n vergissing met'n paar gróte nulle
'r achter. Bos gaat ongeduldig af. Héhéhé! Vandaar
't spreekwoord nul! Kijkt om, ziet dat Bos weg is, port de kachel op,
stopt z'n pijp uit Bos' tabakspot, gapt voorzichtig een paar sigaren uit
het sigarenkistje.
SIMON: Is Bòs d'r niet?
DE BOEKHOUDER: Menéér Bos, hé? -- Nee.
SIMON: Is-die uit?
DE BOEKHOUDER: Kan je mijn de boodschap niet doen?
SIMON: Ik vraag of die uit is?
DE BOEKHOUDER: Ja.
SIMON: Niks geen tijding?
DE BOEKHOUDER: Néé. begint dat geloop nou weer? Meneer het
toch gezeid dat às-die bericht kreeg...
SIMON: 't Wordt morrege négen weke.
DE BOEKHOUDER: De 'Jacoba' is wel na negenenvijftig dage met 190 kantjes
binnengelope.
SIMON: Jij staat te klesse! Jij weet meer.
DE BOEKHOUDER: Heb je 'm nóú al om?
SIMON: Nee -- geen druppel.
DE BOEKHOUDER: Dan wordt 't tijd. -- Ik 'r meer van wete! 'k Hou de schepe
an lijne vast!
SIMON: 'k Heb jullie gewaarschouwd toen die op de helling lee. -- Wat zijn
me woorde geweest?
DE BOEKHOUDER, schouder-schokkend: Allemaal kletspraatjes van jou
om 'n borrel!...
SIMON: Dat lieg je! Waar jij bij was en waar de juffrouw bij was -- heb'k
gezeid dat 't schip ròt was, dat kallefatere geen bliksem meer hielp
-- dat zo'n drijvende doodkist...
DE BOEKHOUDER: Goed. Dàt het-ie gezeid. Daar strij 'k niet tegen.
En wat zou dat nou? Ben jij zo'n piet dat as jij hallef bezopen...
SIMON, driftig: Da's verdomme gelogen...
DE BOEKHOUDER: ...Dan niet bezopen. -- Ben jij zó'n godje dat as
jij, as scheepmakersknècht néé zeit -- en je patroon
en de assurantie zegge já -- dat mijn patroon z'n schip dan op de
veiling mot brenge?
SIMON: Dat dondert niet. Ik hèb gewaarschouwd. -- En nou zeg ik --
nou zeg ik -- dat as Mees, de anstaande van me dochter -- om van de andere
niet te spreke -- as Méés... dan komt'r móórd
van!...
DE BOEKHOUDER: Laat je uitlache! Ga 'n borrel pakke en praat verstandige
taal.
SIMON: Had maar buiten gebleven. -- Niks geen tijding.
MARIETJE: Niks geen tijding...
SIMON: ...Dan komt 'er moord van... Af.
BOS: Wie ware daar?
DE BOEKHOUDER: Simon en z'n dochter. Dreigemente! -- Ga u uit?
BOS: Dreigemente? Is de kerel krankzinnig? -- 'k ben in tien minute terug.
Wie komt mot wachte.
DE BOEKHOUDER: Hij sprak van...
BOS: 'k Ben niks nieuwsgierig!... Af.
DE BOEKHOUDER, krabbelt naar zijn lessenaar terug. De telefoonschel
gaat over. gewichtig luistert hij aan de gehoorbuis: -- Kan niks verstaan.
-- Ik ben 't, de boekhouer. -- Over tien minute is meneer terug -- mot je
nòg maar is schelle.
SAART: Dag hartje!
DE BOEKHOUDER: Wat mot jij nou weer?
SAART: Ik mot jóú. Jessis wat 'n koue wind. Mag 'k effe me
hande warme?
DE BOEKHOUDER: Blijf maar àchter 't hekkie.
SAART: Lekker dier, 'k heb maling an je! -- Meneer Bos slaat zo net 't hoekie
om. Warmt zich. -- 'k Zal maar niet vrage na de 'Hoop'. -- Jessis,
zéven gezinne. -- Wat 'n geluk, dat 'r behalve de kinderen drie òngetrouwde
jongens an boord zijn. Nèrgens iets angespoeld?
DE BOEKHOUDER: Nee. Nee!
SAART: Nou vreet me niet op!
DE BOEKHOUDER: 'k Wou dat je àchter 't hekkie bleef. Wat mot je nou?
SAART, in zijn zak kijkend: Pas op -- breek meneer z'n sigare niet,
ouwe dief! Hij glimlachert. kaps -- wil jij 'n gulden an me verdiene?
DE BOEKHOUDER: Dat leit 'r an.
SAART: 'k Ben an 't verkere met Bol, de binnenschipper.
DE BOEKHOUDER: 'k Feliciteer je!
SAART: Hij leit hier met 'n lading mest -- voor de stàd. -- En hoe
mot 'k nou trouwe?
DE BOEKHOUDER: Hoe je mot...
SAART: 'k Màg toch niet omdat ze niet wéte of me man dood
is.
DE BOEKHOUDER: De wettelijke termijn die is -- die is --
SAART: Zó wijs ben 'k ook.
DE BOEKHOUDER: Je mot driemaal pro Deo in de krante opróépe
en as die dan niet komt -- en dat zal die niet -- spoke benne de wereld
uit -- dan màg-ie...
SAART: As jij dat zakie nou is beredderde, -- dan blijve Bol en ik je dankbaar...
DE BOEKHOUDER: Advokate-zaken. Daar mot je voor na de stad.
SAART: Jessis wat 'n bereddering! As je verstand je ingeeft: 'k heb Jacob
in geen dríé jaar gezien -- en de 'Wisselvalligheid'...
COBUS, beverig-gejaagd: D'r is bericht... D'r is bericht!...
DE BOEKHOUDER: Bericht? Wat vertelt-ie?
COBUS, op huilen af: D'r mòt bericht van de jonges zijn --
van 'de Hoop'...
DE BOEKHOUDER: Niemandal! Vriendelijker. Of jullie hier nou dag an
dag 't kantoor plat lope -- ik kan je geen goed en geen kwaad nieuws zegge
-- 't kwaje weet je: twééënzestig dage...
COBUS: ...De waterschout het 'n telegram gekregen... Ach, ach, ach, meneer
kaps, help ons toch uit de onzekerheid -- me zuster -- en me nichie -- hevig
bevend, die zijn gewoon gèk van verdriet...
DE BOEKHOUDER: ...Op me woord van waaràchtig... Loop-je weer vort?...
COBUS: Me nichie zit alleen thuis -- me zuster is uit schoonmake bij de
pastoor -- d'r mòt ies weze.
DE BOEKHOUDER: Wie maakt je de praatjes wijs?
COBUS: De klerk van de waterschout zeit -- zeit. Ach lieve God... Af.
SAART: Misschien het-ie gelijk.
DE BOEKHOUDER: Alles kan.
SAART: Het meneer Bos nog hoop?...
DE BOEKHOUDER: Hoop? Négen weke -- zo'n kreng van 'n schip -- na
díé storm. Alles kan, néé -- 'k geef 'r geen
cent voor. Zès weke proviand. As ze 'n Engelse haven waren binnengevalle,
had je bericht.
CLEMENTINE: Dag Saart. Kaps, is 'r binnen visite?
DE BOEKHOUDER, door het raam kijkend: 't Rijtuig van de burgemeester.
Kommissie-vergadering voor de klok. Wéér 'n ander spannetje.
'k Wou dat ik de cente had.
CLEMENTINE, haar schetsboek op Bos' lessenaar leggend: 'k Zag Cobus
daar lopen. Stakker. Wat is díé oud geworden. Je zou 'm haast
niet herkennen. 't Schetsboek opnemend. Kijk. Zó was-ie drie
maande gelejen -- kras -- vrolijk. Je mag óók wel kijken,
Kaps.
DE BOEKHOUDER: Nee, juffrouw, ik heb geen tijd.
SAART: De dood van Daantje het-ie zich erreg angetrokke... die twee zag
je altijd samen, altijd an 't redenere -- nou het-ie in de diakenie niet
één vriend -- dat scheelt 'n boel.
CLEMENTINE: Herken je die?
SAART: Nou! Da's Knier -- da's Barend met 'n mand op z'n nek -- da's. De
telefoon gaat over. Clementine slaat het boek dicht...
DE BOEKHOUDER: Meneer is uit. D'r wier strakkies al gescheld.
CLEMENTINE, luisterend: Ja? -- Pappie is 'r niet. -- Hoe lang zou
't duren, Kaps?
DE BOEKHOUDER: 'n Minuut of twee, drie...
CLEMENTINE, verschirkt: Wàt zegt u? -- 'n Luik gemerkt 47
-- en, bevend, -- ik versta u niet -- geeft 'n schreeuw, laat
de gehoorbuis vallen.
DE BOEKHOUDER: Wat is dat? Wat is dat?
CLEMENTINE, smartelijk verschrikt: ...Ik durf niet meer luisteren...
O, o!
DE BOEKHOUDER: Was dat de waterschout?
CLEMENTINE, hartstochtelijk: ...Barend is angespoeld. O God, nou
is 't gedaan!
SAART: Barend?... Barend?...
CLEMENTINE: 'n telegram uit Nieuwediep -- 'n luik -- en 'n lijk...
BOS: Wat gebeurt hier? -- Waarom huil jij?
DE BOEKHOUDER: Bericht van de 'Hoop'.
BOS: Bericht?
DE BOEKHOUDER: De waterschout is aan de telefoon.
BOS: De waterschout? -- ga op zij. -- Ruk uit jij: wat sta je te gape!
SAART: Ik -- ik. Schuw af.
BOS, schellend: Hallo! Wie is daar? -- De waterschout? -- 'n Telegram
uit Nieuwendiep -- benoorden de Haaks -- ik versta geen woord! Hou op met
je gehuil! -- 'n luik, zegt u? Zévenveertig... -- Wel da's vervloekt
beroerd -- da's. -- 't Lijk -- in staat van ontbinding -- van Barend, as
oudste gemonsterd... -- Herkend door wie? -- Dóór? -- O is
de 'Verwachting' met averij in Nieuwediep binnengevallen en het schipper
maatsuiker 'm herkend? -- Oorringe, ja, ja, zilveren oorringe... dat doet
'r verder niet toe. -- Dus is 't níét nodig dat ' hier vandaan
mense gezonde worde voor de identiteit? -- Ja, verdomd beroerd! -- Onze
plaats wordt wel geteisterd. -- Ja -- Ja -- Enfijn -- tegen Gods wil staan
wij machteloos. -- Ja, ja -- Ik twijfelde al niemeer. -- Dank u. -- Ja.
-- 't Officieel rapport krijg 'k graag zo spoedig mogelijk. 'k Zal de assuradeur
waarschouwe. Bejour! Hangt heftig de gehoorhuis in de haak. Daar
ben 'k gewoon kapot van -- twálef man.
DE BOEKHOUDER: Barend -- de zoon van Kniertje angespoeld -- da's -- da's
'n wonder. -- Ik dacht dat we nooit meer iets van 't schip zoue horen. Toen
met de 'Clementine'...
BOS, driftig: Ja -- ja -- ja -- ja!... Tot Clementine. Ga
asjeblieft naar binnen bij je moeder! De stommiteit om dalijk waar die vróúw
bij was -- over te kletse wat je hoorde. Nou duurt 't geen vijf minute of
't halve dorp is hier! Versta je me niet? je zit je, godbeter, an te stelle
of je liefie an boord was...
CLEMENTINE: Wáárom hebt u niet geluisterd? Snikt zachtjes.
BOS: Geluisterd!
CLEMENTINE: Toen Simon, de scheepskamerknecht...
BOS: Die vent was dronken!
CLEMENTINE, heftig: Dat was-ie níét!
BOS: Dat was-ie wel! En al was-ie 't niet geweest -- met welk recht steek
jij je neus in zake waarvan je geen benul heb?
CLEMENTINE: Lieve God -- nou heb ik óók schuld...
BOS, driftig: Schuld? Schuld! Zijn de romannetjes die je leest in
je hoofd geslagen? -- Schuld! -- Ben je bezeten om zùlke woorde te
gebruike na zo'n ongeluk!...
CLEMENTINE: Hij zei, dat 't schip 'n drijvende doodkist was -- toen heb
'k ú horen zeggen, dat 't in alle gevallen de láátste
teelt zou wezen waaraan de 'Hoop'...
BOS, eerst driftig -- dan redenerend: Die verdomde kostschool, die
verdomde kostschoolkure! Loop voor mijn part as 'n zottin door 't dorp en
teken de eerste de beste schooier of bedelaar! Maar flap 'r geen dinge uit
die je niet verantwoorden kan. 'n Drijvende doodkist! Zeg liever 'n dronken
autoriteit! -- Eerst ik! De 'Noord' van Pieterse en de 'Nooit gedacht' en
de 'Willem III' en de 'Jonge Jan' -- 'k kan wel an 't opnoemen blijve, de
halve vissersvloot en de hele handelsvloot zijn drijvende doodkiste! --
Heb je dat gehoord, Kaps?
DE BOEKHOUDER, schuw: Nee, meneer, ik hoor niks.
BOS: As je me zou vragen: vader, hoe zit dat -- dan zou 'k je uitleg geve.
Maar jullie over 't paard getilde jonge mense bemoeit je met alles en nog
wat! Is 'r 'n sterker bewijs, dat de assurantie èlk jaar 'n schip
laat kéúre. Denk je, dat as 'k straks de assuradeur opschel
en 'm zeg: meneer, jij kan veertienduizend gulden neertelle, dat-ie dat
doet op losse gronde? Je most 'n kop as 'n boei krijge, om de ondoordachtheid
waarmee je 'r nonsens uitflapt!...! -- Nonsens zeg ik! -- Nonsens, die me
goeie naam zou kunne bederve, as niet iedereen me kende!
CLEMENTINE, triestig: Als ik reder was... en'k hoorde...
BOS: God beware de visserij voor 'n reder die tekeningetjes maakt en huilt
bij mooie versjes. Ik sta als váder an 't hoofd van over de honderd
gezinnen. Zaken zijn zaken. Als je gevoelig wordt, buitel je over de kop.
Wat Kaps? Kaps gebaart dat-ie 't niet verstaat. Nou, ga na je moeder.
De burgemeestersvrouw is op visite.
DE BOEKHOUDER: Hier heb 'k de monsterrol, lezend, Willem Hengst,
oud zevenendertig jaar, gehuwd, vier kinderen...
BOS: ...Wacht effen tot me dochter...
CLEMENTINE: 'k Zal geen woord meer spreken.
DE BOEKHOUDER, voortlezend: Jacob Zwart, oud vijfendertig jaar, gehuwd,
drie kindere. -- Gerrit Plas, oud vijfentwintig jaar, gehuwd, een kind.
-- Geert Vermeer, ongehuwd, oud zesentwintig jaar. -- Nelis Boom, oud vijfendertig
jaar, gehuwd, zeven kinderen. -- Klaas Steen, oud vierentwintig jaar, gehuwd
-- Salomon Bergen, oud vijfentwintig jaar, gehuwd, een kind. -- Mari Stad,
oud vijfentwintig jaar, gehuwd. -- Mees, oud negentien jaar. -- Jacob Boom,
oud twintig jaar. -- Barend Vermeer, oud negentien jaar -- en Pietje Stappers,
oud twaalf jaar.
BOS, terneergeslgen: ...Zéven gezinne.
CLEMENTINE: ...Zestien kinderen.
TRUUS, hijgend: ...Is 'r tijding?... Tijding van me zoontjes?
Woest-wanhopig: Ach God, maak me niet ongelukkig, meneer!
BOS: 't Spijt me vrouw Stappers...
MARIETJE, gillend: Dat kan niet -- dat kàn niet -- dat lieg
je!... 't Is niet mogelijk!...
BOS, zucht: De burgemeester-strandvonder van Nieuwediep het de Waterschout
getelegrafeerd -- Barend Vermeer is aangespoeld -- jullie weet wat dat wil
-- en 'n luik van de 47...
TRUUS, heftig: O, moeder Maria -- mot 'k dat kind nou ook misse --
dat schaap van twaalf jaar! -- Drenzend huilend. Oóóó!
-- Oóóó! -- Pietje... Pietje...
MARIETJE, verwilderd: Dan... Dan... barst in hysterisch gelach
los. Hahaha!... Hahaha...
MARIETJE, het gals uit Clementine's hand slaand: ...Weg! Wèg!...
op de knieën vallend, de handen om het hekje klemmend. La me
nou ook maar krepere!... La me dood gaan asjeblief, lieve God, lieve God!...
CLEMENTINE, snikkend: Toe Marietje, bedaar. Sta op...
TRUUS: ...Op z'n eerste reis -- en zo dapper as-ie stond te wuive toen 't
schip... Snikt heftig.
BOS: 't Kan niet verholpe worde, Truus. 't Is 'n bezoeking. Zo'n storm is
'r in geen jare geweest.. Denk an Hengst met vier kindere, an Jacob, an
Gerrit... En al geeft 't je geen troost: de gage van je zoontje zal 'k uitbetale
-- as je wil vandaag nog. Ga jullie na huis -- en schik je in 't onvermijdelijke.
-- Neem háár mee -- ze lijkt...
MARIETJE: Ik wil niet na hui -- ik wil dood, dood...
CLEMENTINE, haar ondersteunend: Huil maar, Marietje, huil maar, arm
schaap...
BOS, driftig op en neer lopend: ...Wat suf jij nou? --
Ben jij te lui om 'n pen op papier te zette, vandaag?... 'k Vraag je geen
antwoord!! Heb-je 't Weduwen- en Wezenfonds bij de hand? -- Nou!
DE BOEKHOUDER, op de brandkast toeschuifelend: 't Bovenste loket
is nog op slot. Bos smijt hem de sleutels toe. O, dank u! Opent
de kast, schuifelt met het boek naar Bos' bureau. Asjeblief, meneer.
BOS: ...Vijfennegentig weduwe -- veertien ouwe zeelui en vissers...
DE BOEKHOUDER: Ja, 't fonds komt al lang te kort. -- Maar weer is 'n advertentietje
plaatse...
MATHILDE: Clémens, wat 'n ongeluk! De burgemeestersvrouw vraagt of
je niet effen binnen kan komme... ze zit gewoon te huile.
BOS: Nee! Gehuil genoeg hier. En geen tijd!
MATHILDE: Ach! Ach! -- kaps, hier is de kopie voor de circulaire. -- Spoed,
hoor!...
BOS: Mathilde! -- Praat 'r met mevrouw is over -- om 'n oproeping te doen
voor de verongelukten.
MATHILDE: Ja maar, Clémens -- is dan niet te veel -- twéé
bedelpartijen?
BOS: Laat mijn 't dan maar... Af.
CLEMENTINE, zachtjes huilend: Kaps! Kaps!... gaat over hem
aan de lessenaar zitten. Ik voel me zo ellendig...
DE BOEKHOUDER: Héél onverstandig, juffrouw. D'r vergaan méér
schepe. De 'Hoop van Zegen' telt haast niet mee. -- Hier heb 'k -- waar
leit 't -- waar leit 't? de opgave van 'Veritas' over oktober -- ènkel
van oktober -- vergaan 105 zeilschepen en dertig stoomschepen -- da's wéínig
gerekend: in één maande bij de 1500 dooien, op de zee wijzend.
Ja, as je 'm ziet zo as vandaag -- zo glad en met al die drijvende meeuwe
-- dan zou je niet gelove dat-ie zoveel mensen vermoordt...
CLEMENTINE, tot Jo en Cobus die suffig zitten gaan: Kom 'r maar
in, Jo -- Jo! Jo knikt langzaam néé.
COBUS, bevend: We zijn effen van huis weggelope -- want Saart --
net as 'k zei -- net as 'k zei...
BOS, tot Jo: Hier -- ga zitte! Schuift een stoel bij de kachel.
Blijf jij dáár maar, Cobus -- Je het 't zeker al gehoord...
JO, snikkend: Van Barend, ja -- maar van Géért -- 't
gebeurt zo dikwijls dat ze in de roeiboot...
BOS: Nee -- Die troost kan 'k je niet geve. Niet alleen dat 'r 'n luik --
maar 't lijk was in staat van verregaande ontbinding.
JO, angstig: ...Ja -- Ja. -- Maar as 't Barend nou níét
is -- wie zeit dat 't Barend...
BOS: ...Schipper maatsuiker van de 'Verwachting' het 'm herkend... En --
de oorringe...
JO: Maatsuiker? Maatsuiker? En as -- die zich vergist?... Ik kom je vragen
om reisgeld, meneer, dan ga 'k zellef na De Helder...
BOS: Kom, gekheid!
JO, huilend: Barend mot toch begrave worde...
BOS: Daar zal de burgemeester van Nieuwediep zal wel voor zorge...
SIMON, dof-angeschoten: Ikke -- Ikke -- heb gehoord... gebaart
vreemdelijk naar Bos.
BOS, nerveus-heftig: Mars, dronkelap!
SIMON, hakkelend: Ik -- ikke -- zal jou niet vermoorde -- ik -- ik
-- heb niks kwaads in de zin...
BOS, bevend: ...Haal 'n veldwachter, Kaps -- mot die bezopen kerel...
SIMON, zich vasthoudend aan het hekje: -- Nee -- blijf maar -- ik
zal wel weer gaan -- ikke -- ikke wou alleen maar zegge dat 't áárdig
uitgekomme is -- met -- met -- de 'Hoop van Zegen'.
BOS: Wil je opdondere en dalijk!
SIMON: Niet zo dicht bij me komme -- je mot nóóit dicht komme
bij 'n man met 'n mes... Néééé... Ik heb niks
kwaads in de zin -- ikke wou alleen maar zègge da'k je gewaarschuwd
heb -- toen die -- op de helling lei.
BOS: Dat lieg-je, beroerde kerel!
SIMON: Nou mot je -- enkel voor de aardigheid -- an je -- an je boekhouer
en an je dochter vrage... die 'r bij ware...
BOS, heftig: 't Is gelogen! Je ben geen antwoord waard, dronkelap!
'k Heb met je patroon, niet met jou te make!... Heb je me niet verstaan,
Kaps!
SIMON: Mijn patroon die -- die kallefatert zèlf niet... Tot Kaps,
die naar het hekje gekomen is. ...Heb 'k gewaarschouwd? Was jij d'r
bij?
DE BOEKHOUDER, angstig naar Bos kijkend: Nee -- 'k was 'r niet bij
-- en às 'k 'r bij was, heb 'k niks gehoord...
BOS, tot Clementine: En nou jij! -- Het die dronkelap...
CLEMENTINE, angstig -- op schreien af: ...Papa!...
BOS, dreigend: Laat jij as dòchter -- Grimmig. Geef
antwoord!
CLEMENTINE, angstig: ...Ik herinner met niet...
SIMON: Da's da's gemeen. Da's verdomd gemeen!... Ik heb gezeid dat 't schip
ròt -- ròt was...
BOS: Dronkemanspraatjes! -- Je sleept 'r me boekhouer en me dochter bij
-- en je hóórt...
COBUS: Ja maar -- ja maar -- nou herinner ik me ook...
BOS: Wat weerlicht -- heb jij soms ook gewaarschuwd?
COBUS: Nee. Nee. Dan zou 'k liege. Maar uw dochter -- uw dochter die zeit
nóú dat ze niet gehoord het dat 't schip rot was -- en op
de tweede avond van de storm -- toen ze met me alleen bij me zuster Kniertje
was, toen het ze wèl gezeid dàt -- dàt --
CLEMENTINE, bevend: ...Heb ik toen...
COBUS, vals: Ja -- dat heb jij! Die eigenste avond -- ware me woorde:
juffrouw, juffrouw nou zit je te jòkke -- want as je vader wist dat
de 'Hoop van Zegen' ròt...
JO, onstuimig-opstaand, woest haar woorden uitknersend: Jij, jij
líégt! -- Jij ben begonne te huile -- je was bàng dat
'r schepe zoue vergaan -- daar was 'k bij! -- daar was Truus bij -- daar
was!... O jullie àdders!...
BOS, met z'n vuist het schrijfbureau bedreunend: Adders! Adders,
wij die jullie gespuis jaar in jaar uit te vrete geve? Heb je niet genoeg
fatsoen om òns te gelove inplaats van die dronken schooier die op
z'n bene staat te waggele?
JO, razend-van-drift: ...Jùllie gelove? -- Jùllie!!
-- Zij liegt en jij liegt!
BOS, dreigend: ...Me kantoor af!
JO, onstuimig: Barend heb je met de politie na boord late slépe!
-- Geert was te trots om gehááld te worde! -- Schurk! Schurk!
Driedubbele schurk! Overspannen-zenuwlachend. Néé,
néé, je hoeft niet na je déúr te wijze! We gaan
wel -- As 'k langer hier bleef zou 'k je in je gezicht spoege -- in je gezicht
spoege!... Gebaart dreigend.
COBUS, haar tegenhoudend: Kom... Kom...
BOS, na een stilte: Voor je tante zal 'k anneme, dat je overspannen
ben... anders -- anders... de 'Hoop van Zegen' wàs zeewaardig, wàs
zeewaardig -- Heb ik geen verlies -- al is 't schip geassureerd? En al hàd
die kerel me gewaarschouwd -- wat gelóge is! -- mot ik as man van
zake 'n dronkelap vertrouwe, die nerges meer werk vindt omdat-ie te onbekwaam
is om z'n gereedschap te hantere?
SIMON, hakkelend: Ikke -- ikke heb jou en hèm en haar gezeid
-- dat zo'n drijvende doodkist... da's vàst hoor!
JO, uitbarstend: O! O! Geert èn Barend èn Mees èn
de anderen! O God hoe kon jij 't toelate... Zakt op de stoel, snikt.
Geef me dan reisgeld om zèllef na Nieuwendiep te gaan -- dan zal
'k over niks meer prate...
BOS, grimmig: Nee! geen rooie duit! 'n Meid, die me zo vlegelachtig
uitscheldt...
JO, verward-huilend: 'k Weet niet wat'k gezeid heb -- en -- 'k geloof
niet dat je -- dat jij -- dan zou je erger zijn as 'n duvel.
BOS: De waterschout zeit dat 't níét nodig is om mense na
Nieuwediep te zende.
JO, naar de deur waggelend: ...Niet nodig -- níét nódig
-- wat mot 'r nou van me worde... Cobus en Simon lopen achter haar aan.
BOS, loopt heen en weer. Kaps kruipt op z'n kruk: En as jij ooit
weer 'n stap op me kantoor zet...
CLEMENTINE, starend-verschrikt: Nee -- nooit mee, een lange stilte.
Vader, ik vraag mezelf af, barst in snikken uit, hoe 'k óóit
weer achting voor jóú -- ooit weer achting voor mezelf zal
krijgen... Af.
BOS: Dòl! Ze zou in staat zijn me goeie naam in d'r kostschoolfratse
te bederve! -- Wie 'r verder komt zend je weg, begrepen? -- Tuig! -- Rapalje!
-- Dat héle nest deugde niet. -- Die verdòmde dronkelap! --
Die kerel die na jenever stinkt! Buiten weerklinkt Jelle's viool.
Dat mot 'r nog bijkomme! Voor het raam. Ruk uit! Nee, geen cent!
De muziek houdt op. 'k Ben gewoon ondersteboven... smakt in zijn
stoel, neemt vinnig Clementine's schetsboek op, bladert er in, smijt het
op de grond, bukt zich, rukt er enige blaadjes uit, verscheurt die. Een
ogenblik zit hij in gedachten, schelt aan de telefoon. Hallo! -- Met
Dirksen -- Dirksen zeg ik -- de assuradeur! Wacht somber kijkend.
-- Hallo! Ben jij daar, Dirksen? -- 't Is mis met de 'Hoop van Zegen'
-- 'n Luik met mijn merk angespoeld en 't lijk van een matroos, in ruzietoon
overgaand. Wat zeg je? Kan je begrijpe! -- Geen kwestie van! Twééenzestig
dage! De waarschijnlijkheidskans is zó groot -- gekalmeerd, Goed
-- 'k Zal je bij me op kantoor wachte. -- Maar 'n beetje spoed, hè
-- Ja -- voor veertienduzend gulden -- Bejour. Schelt af -- bij de laatste
woorden is Kniertje binnengekomen.
KNIERTJE, gedachteloos: Ik -- zij zakt geduldig-schreiend op
de bank.
BOS, zonder haar te zien, bij de brandkast: -- Heb je de portefeuille
met polissen verlegd? -- Jij haalt, goddorie, àlles van zijn plaats!
DE BOEKHOUDER, van af z'n taboeret wijzend: -- De portefeuille leit
hoger -- àchter de effektentrommel.
BOS, snauwend: Hou jij je mond maar weer! -- Zich omkerend met
de portefeuille in de handen. -- Kan jij niet kloppe?
KNIERTJE: Ik wou...
BOS, kregel: Je komt vijf minute te laat. -- Die méíd,
die bij je inwoont, het hier 'n schandaal geschopt, dat 't weinig scheelde
of'k had om 'n veldwachter getelefoneerd. Snauwend. Kom 'r in! --
Doe 't hekkie achter je dicht...
KNIERTJE, moeilijk: ...Is 't waar -- is 't wáár dat...
De pastoor zei... Bos knikt somber. O, o. Zij staart voor zich
uit, haar armen vallen slap.
BOS: Met jou -- met jóú heb 'k meelijje. Jou heb 'k gekend
as 'n fatsoenlijke vrouw -- en je man óók. Maar je kindere
-- 't is hàrd om te zegge bij zo'n slag -- je kinderen en die --
nicht van je -- hebbe nóóit gedeugd! Kniertjes hoofd zakt
weg. Hoeveel jare ben jij niet bij me over de vloer gekomme -- tot je
zoon Geert me met z'n vuist dreigde, me grijze hare bespotte, me bijna je
deur uitsmeet! -- En je àndere zoon... Verschrikt. Knier!
Kniertje! Opstaand. Kaps! -- Water! Haar voorhoofd en polsen bettend.
-- Verdomd! Verdomd!...
DE BOEKHOUDER: Zal 'k mevrouw of de juffrouw?...
BOS: Nee! Blijf hier! Ze komt al bij.
Kniertje lang aangehouden snikkend, na 'n wijle van bewusteloos staren.
DE BOEKHOUDER: ...Knier...
BOS: Stil. -- Laat 'r uithuile.
KNIERTJE, smartelijk met onderbrekende snikken: Hij wou niet weg!
-- Hij wou niet weg -- en met me éige hande heb 'k -- heb 'k zijn
hande van me deurpost lòsgemaakt... Kermt zachtjes.
BOS, dof: Je hebt je niks te verwijte...
KNIERTJE, in dezelfde toon: ...Voor-ie ging heb 'k 'm de ringe van
z'n vader in z'n ore gehange -- as 'n -- as 'n òfferdier...
BOS: Kòm...
KNIERTJE, hijgend: En -- me óúdste jongen -- -- die
'k niet genacht heb gezeid... -- Als je te laat ben -- ware z'n woorde --
kijk 'k je geen oog meer an -- geen óóg meer àn...
BOS, heftig ontroerd: Hóú op -- hou op in godsnaam!...
KNIERTJE: ... Twalef jaar gelee -- met de 'Clementine' -- heb 'k hier óók
zo gezeten. Snikt in bevende oude handen.
BOS, zich bedwingend: Toe, wees nou sterk.
MATHILDE: Clémens! -- Ach, àrme, bèste Knier, wat
ben 'k met je begaan. -- 't Is èrg -- 't Is schrikkelijk -- twéé
zoons...
KNIERTJE, starend: Me man en víér zoons...
MATHILDE, troostend: Máár, wees jij maar niet ongerust,
hoor. -- We hebbe 'n oproeping geschreven -- de vrouw van de burgemeester
en ik -- en die gaat morgen in àl de krante -- Hier Kaps... Bos
wenkt haar heen te gaan.... Laat 'r nog effen wàchte, Clémens
-- lief. 'k heb 'n paar kóúwe kotelette -- die 'r op
zulle knappe -- en -- en -- late we nou maar weer vrede sluite. -- Je heb
'r toch niks tegen dat ze weer komt schoonmake? Wij zulle je niet vergete,
hoor. -- Dag Knier. Sterkte. Af.
BOS: Nee, we zùlle je niet vergeten.
KNIERTJE: Nou is me énige hoop -- 't kind van me nichie.
BOS, verwonderdi: ...'t Kind?
KNIERTJE: Dat ongeluk komt 'r bij -- ze is zwanger van me zoon --
Dof glimlachend. Ongeluk? -- Nee, dat is nou geen ongeluk...
BOS: En vertel jij dat zó maar?
KNIERTJE, dof: Meneer mot 't zellef weten -- hoe ie met me wil...
BOS: Dat zal me 'n toer met de kommissie worde, Knier -- met de kommissie
van 't fonds. Je zoon, die in de gevangenis -- die oproerliedjes -- en je
nicht die mij... --Enfin ik zal me best doen -- ik zal op me wóórd
je voorspraak -- maar belove, belóve kan 'k niks. -- De't zijn zeven
níéuwe gezinne, die nou op onderstand wachte -- zestien nieuwe
weze -- iOpstaand en de brandkast sluitend. iNee, blijf nog even zitte...
Mevrouw wou je wat meegegve...
MATHILDE, onzichtbaar: Kaps! Kaps! De boekhouder staat op,
verdwijnt een ogenblik, keert terug met 'n schaaltje en een geëmailleerd
pannetje.
DE BOEKHOUDER, goedig: Of je de schale bij gelegenheid anreikt --
en of je zaterdag weer wil komme schoonmake. Zij staart voor zich uit.
Vriendelijk legt hij haar willoze handen om schaaltje en pannetje, en sloft
naar z'n kruk. Een stilte. Kniertje zit onbewogen, smartelijk-versuft, mumt
met haar lippen, staat moeilijk op, strompelt het kantoot uit. Het geklos
van haar klompen klinkt na in de stilte.