JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

DE

AARDRIJKSKUNDE (*).

Haast dekt geen sluijer meer den aardbol met zijn duister;
De nacht vlugt voor den dag; ras schiet ge uw licht ,uw’ luister,
Wetenschappen! uit, tot aan des aardrijks end,
Zoo verr’ de Zonnegod zijn gouden rossen ment.
Ja! ’t is mij vergund de toekomst in te dringen,
Aan d’ongeboren tijd zijn diep geheim te ontwringen.
Europa was te lang der kunsten bakermat:
Dr, waar ’t Atlantisch zout Virginia bespat,
Verheft zich stad bij stad; de Franklins doen zich hooren,
Waar d’ever omknorde en de boschmensch werd geboren.
De kunsten, zeden, de bescha van van Euroop’
Verspreiden zich alom in onbedwongen loop.
Haast ruischt in bosch en veld, bij forsche Patagonen,
De zilvren citerklank van Phebus echte zonen,
Door de echo’s nagegalmd in Dafnes lauwerdal.
Dr zal de herder eens, aan heldren waterval,
Tibullis in zijn hand, naast Delia gezeten,
Bij Philomela’s zang, zich zelf en de aard vergeten;
Ras denken Plato’s aan den Niger! ja, geen gloed
Van ’t kreefgestarnt’ schroeit dr de verkracht van ’t gemoed.
Stroomde eens van Memphis grond de kunst naar Hellas stranden;
Welligt hereischt de Nijl des aardrijks offeranden.
Dan kweekt het maangebergt’, wiens kruin door d’ether dringt,
Een’ Humboldt, die het meet, een’ Halle , die liet zingt.
Gewis, de wetenschap blijft onverdelgbaar leven!
Zij spreidt zich over de aard’; geen lot kan haar doen beven:
Zij is de graankorn, die, den vruchtbren grond betrouwd,
In duizend halmen leeft, en golft in vloeibaar goud.
Schonkt gij, Europa! eens de wetenschap aan ’t westen,
Haast durft de Peruaan der kunsten standaard vesten:
Een vijfde werelddeel verheft zich, en het licht
Der wijsheid gloeit van daar Europe in ’t aangezigt;
Eene andre Aspazia schaart dr, in ’t nieuw Athenen,
De Zanggodinnen en de wijsheid om zich henen;
Daar Venus, van de trits der Gratien verzeld,
Langs bloemwaranden zweeft op ’t wellust – amend veld.
Ja! eenmaal zal zich de aard’, (dit zegt me een God) verbroedren;
n eerdienst, zuiver als het zonlicht, de gemoedren
Vereenen; en ’t geluk, vaak banneling der aard’,
Schiet dan zijn gaven uit, aan d’overvloed gepaard.
Der Vaadren kennis is voor ’t nakroost niet verloren.
De vonk der oudheid zien wij nu als fakkel gloren;
En eenmaal wordt die toorts een zon, die door ’t heelal,
Van Hecla tot aan ’t sneeuw van ’t Vuurland, stralen zal.
Wel hem, wiens zielenoog dien heilstaat mag aanschouwen,
Zich in de toekomst stort met edel zelfbetrouwen,
Verzekerd, schoon de orkaan om zijnen schedel woedt,
Dat eens het menschdom ’t doel zijns aanzijns naadren moet?
Zoo vreest de Zeeman niet, op de onafmeetbre waatren,
Het spoor te missen, schoon de donders om hem klaatren:
Ja! duizend mijlen ver verwijderd van het strand,
Ziet reeds zijn geest de re, en kust zijn Vaderland.


(*) Dit Dichtstuk werd door den Dichter vervaardigd, ten slotte eener Redevoering van den Heer G. J. Meijer, over de vorderingen der Aardrijkskunde, in Februarij 1812.


Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.