JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

AAN MIJNEN KUNSTVRIEND

A. R.    F A L C K

OP DE VRAAG:

WAAROM IK GEENEN EEUWZANG
VERVAARDIGDE?

Een Niagara stort met bulderende onweêrsvlagen,
Bij ’t eind’ der achtiende eeuw, op ’t wrak van ’t Vaderland;
En ’k zou bij ’t forsch geknal van Mavors donderslagen,
Mijn citer grijpen van den wand?

’k Zou de eeuw, die ons ontvlugt, bezingen?
Haar huldigen, die ons een’ dolk in ’t harte stiet?
Wat heil heeft ze aangebragt? waar zijn haar zegeniningen?
Waar zijn ze? ik zoek, maar vind ze niet.

Ja, groote mannen heeft deze eeuw aan de aard’ geschonken!
Boerhave juich ik toe; u eer ik, Washington!
Voltaires heldentaal zal steeds mijn’ geest ontvonken,
En ’k zing met Pope, ô Albion!

De Humes, Robertsons, de Gibbons zal ik roemen;
Uw tooverstijl, Buffon! vermeert mijn verstand:
Germanje zal zijn’ Gleim, zijn’ Göthe en Wieland noemen,
Met Sulzer, Garve, Fichte en Kant.

Maar ach! is welvaart, rust en orde, deugd en zeden,
Meer dan in vorige eeuw op ’t wereldrond verspreid? –
Wat baat mij ’s Dichters taal, des wijsgeers kundigheden,
Als ’t sidderende menschdom schreit?

’k Erken, het Bijgeloof zag zijn schepper breken;
Doch ’t Ongeloof heeft zich op zijnen troon gevest:
Wat gruwlen ’t Bijgeloof bij ’t menschdom aan moog’ kweeken,
Het Ongeloof is grooter pest.

Europa staat in vlam! met neêrgeslagen blikken
Vlugt thans de menschlijkheid, en ducht haar’ ondergang;
En ik zou de Attila’s, ik zou de Genserikken
Verachtlijk roemen in mijn’ zang?

’k Ontheilig nooit mijn lier door gruweldaân te loven!
’k Juich geen Wandalen toe, meer woest dan ’t voorgeslacht,
Dat, uit zijn bosschen, uit den nacht van ’t Noord, gesloven,
Italië eens heeft ten val gebragt.

Neen, ’k zal geen’ offerwijn voor zulke helden plengen:
Hij haar de menschelijkheid, die dees Wandalen roemt,
Een schandlijk wierook op hun bloedaltaar durft brengen,
Hun gruweldaden deugden noemt.

Wie juicht ook de Etna toe, waneer hij slaat aan ’t branden,
En uit zijn’ zwarten schoot een zee van Lava braakt,
En bosch en steden stort in gloeijende ingewanden,
Terwijl ’t beangst Sicielje kraakt?

Wat baat het mij, als ik, door Etna’s woeste vlagen,
Aan mijn beminnend hart een gade zie ontroofd,
Dat de uitgeworpen gloed, misschien, in later dagen,
Den Landman dubblen oogst belooft?


Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.