JAN FREDRIK HELMERS (1767 – 1813)

DE DICHTER

LIERZANG

De feestgalm ruist langs markt en straten
De citer klinkt bij ’t vreugdgeschal:|
De landman heeft zijn’ ploeg verlaten:
In sneeuwwit feestgewaad snelt elk naar Romes wal.
De stem de zaamgevloeide menigt’
Is tot door vreugd bedwelmd, ontroerd.
Door ’t trapp’lend hengstgespan, in ’t blank gareel geslagen,
Wordt op een zegekar, een jongling omgedragen,
En naar het Kapitool gevoerd.

  Ontscheurt gij aan het stof der graven,
Tijd! de halve gon in ’t licht,
Die eens ’t heelal de wetten gaven?
Voert gij de Scipio’s terug voor ons gezigt?
Voor wien is ’t, dat hier duizend zielen
Als voor een hooger wezen knielen?
Wie is de godheid van deez’ dag?
Het hoofd des Raads drukt hem een’ krans van lauwerblaren,
Terwijl elks lofzang klinkt, op zilverwitte haren,
En huldigt hem met diep ontzag.

Het is Perrarcha, de eer en luister
Van ’t schoon Itaalje, Phebus zoon:
Hij schopt de onwetendheid in ’t duister,
En voert de Dichtkunst wer op d’elpenbeenen troon.
Juich , Menschdom, juich ! ge ontvangt wer ’t leven.
Een Dichter heeft den nacht verdreven
Der domheid, die u eeuwen trof.
Een Dichter doet zijn stem ’t verbasterd menschdom hooren!
Deugd, wetenschappen, smaak en kunsten zijn herboren;
Zing, aarde! zing – des Dichters lof.

Maar wie zal ’t beeld eens Dichters treffen?
Wie waagt die vlugt, en siddert niet?
Wie kan zich tot het standpunt heffen,
Waar op hij ’t godlijk beeld in voile schoonheid zier?
Vergeefsche poging! Wie zal ’t wagen
Den God des dags op zijnen wagen
Te volgen langs zijn eeuwig pad?
Zult gij langs ’t gloeijend spoor hem eenmaal achterhalen?
Vergeefs! bedwelmd, verzengd, gebliksemd door zijn stralen
Stort, sneeft gij in ’t Egeesche nat.

’k Wil pogen: grootsch is ’t dus te sneven.
De God der dichtkunst geeft mij kracht.
Het beeld, dat thans mijn geest zier leven,
Hebt gij, Phebus! zelf voor mijn gezigt gebragt.
Daar staat hij; ziet, met fonklende oogen,
De schepping aan zijn’ voet gebogen.
Hij spreekt, als meester van ’t heelal.
’t Geen nimmer aanzijn had, het ongekend verleden
Bezielt hij; ’t moet, hij wil ’t, terstond te voorschijn treden;
En ’t geen eenmaal gebeuren zal.

Nu zweeft zijn geest door lucht en wolken,
Schept wezens nooit voorheen gedacht,
Of daalt in ’s afgronds naarste kolken,
Verschopt, gelijk een God, vandaar den jammernacht.
Nu zal hij werelden bezielen,
Dan zonnestelselen vernielen,
En breekt de wetten der natuur.
Hij wil; de wereld stort in eenen warklomp neder.
Hij wil; en orde en wet en schoonheid keeren weder,
Als bij het eerste scheppingsuur.

Zie ’t ruwe menschdom: wat vertooning!
Verlaagd, verbasterd zwerft het rond,
Heeft hol of boom of klip tot woning’,
En voedt met de eikels zich op d’adderrijken grond.
In woeste beestlijkheid verzonken,
Kent, voelt zijn ziel geenszins de vonken
Van ’t schoon, dat ons het hart doordringt.
Beroofd van taal, kan ’t slechts een’ raauwen noodkreet slaken,
Als ’t hongrig boschgedrogt, met opgesperde kaken,
Het als een wisse prooi bespringt.

De straal der Godheid, ’s menschen reden,
Is niets in dien gevloekten nacht;
De schrik, ’t verraad sluipt om zijn schreden;
Deugd, orde en wet zijn niets; ’t is al geweld en kracht.
Hebt gij, o God van wet en orden!
Het menschdom tot dien stand doen worden?
Leeft, sterft hij als een dier en plant?
Waar toe zijn Reden dan, schoon nu nog in hem slapend?
Waarom hem niet veel eer met ’s Tijgers klaauw gewapend,
Of met de kracht van d’Elefant?

Neen, tot geen dier, geen plantenleven,
Is ’t menschdom door natuur bestemd.
Hij zal zijn’ woesten staat ontzweven:
Door ’t heillg juk der wet wordt ras zijn drift getemd.
Maar wie, wie zal de schors verbreken,
Die hem omsluit? de toorts ontsteken
Van ’t licht, waarme hij is begaafd?
Wie is die halvegod, en eerste volksverlichter?
Wie vaagt de neevlen weg? het is alleen de Dichter,
Die ’t woeste menschdom ’t eerst beschaaft.

Dring de eeuwen door! Zie, Orfeus nadert:
’t Verbasterd menschdom hoort zijn taal;
’t Ligt luistrend aan zijn’ voet vergaderd,
En voelt, Wonder! thans zich zelf voor de eerstemaal.
Barbaarschheid vlugt! en zachte zeden,
En kunsten, en bevalligheden
Doorzweven ’t nieuw geschapen land.
De steden rijzen op, en Ceres kroont de velden,
Terwijl met lieven lach de maagden – reijen melden
De wond’ren van des Dichters hand.

Verwijderd van het stadgewemel,
Bij ’t plegtig duister van den nacht,
Gedekt door d’eeuwgen starrenhemel,
Verheft een Dichter zich met ongekende kracht.
Aan ’t strand der zee zich zelv’ verliezend’,
Daar op een rots zijn standplaats kiezend’,
Ziet hij de schepping uitgebreid;
Zijn geest ontwringt zich de aard’; van heilige aandrift zwanger,
Vat hij de lier, – elk hoort na d’opgetogen zanger,
En hij zingt voor de onsterflijkheid.

Zou iets zijn’ fieren geest verwrikken,
In ’t standpunt, daar hij zich op plaatst?
Geen dwinglands wenk zal hem verschrikken,
Noch hoe ’t verachtlijk graauw schuimbekkend tiert en raast.
Geweldnaars, die nu de aard’ doen treuren,
De volken, die elkar verscheuren,
Zijn stofjes, wriemlende aan zijn’ voet;
’t Gekras van ’t dolle graauw, van land- of volkverslinders,
Versmaadt hij, als ’t gegons der rustelooze vlinders,
Geteeld in heeten zonnegloed.

Gelijk, op Amphitrites stroomen,
Een schip ten spel der winden strekt,
Nu wordt ten hemel opgenomen,
Dan in den afgrond fort, met golvend schuim bedekt;
Nu door d’orkaan naar woeste stranden,
Waarop verderf en moordlust branden,
Gescheurd wordt door onzigtbre hand,
Dan op het spieglend nat, bij ’t zacht gestreel der winden,
|Die dartlen in het zeil, de blijde re zal vinden,
In ’t langgewenschte vaderland:

Zoo speelt een Dichter met ons harte!
Waar, Maro! waar voert gij mij heen?
’k Zie ’t naar gewest der helsche smarte,
Der vloeken zwart verblijf, vol jammer en geween.
Met siddrend’ angst stuurt gij mijn schreden;
’k Zal met u ’t duister rijk betreden,
Des onverbiddelijken Gods!
’k Zie, Tantalus! uw straf, de kuip der Danaiden!
’k Hoor d’onverbidbren kreet der wrekende Eumeniden,
En ’t Acheronsche golfgeklots.

Nu doet mij Tasfo wer herleven:
Ik snel zijn tooverbosschen in
Daar wellust – geuren om mij zweven,
En alles juicht en zingt en baadt in weelde en min.
Ik vlij me, op zachten rozenbloesem,
Met Rainoud aan Armides boezem,
En leef en sterf daar aan haar hart,
Herleef en dool met haar, door ’t maanlicht flaauw beschenen,
Wellustig dartelend door mirteboschjens henen,
Door ’t volop van genot verward.

Wie kan het menschlijk hart bedwingen?
Wie temt der driften woest geweld?
De Dichter is het. Hoor hem zingen!
De orkaan der driften zwijgt: de kalmte is wer hersteld.
Nu zal hij u tot deernis wekken,
De tranen uit uwe oogen trekken,
Doen schreijen bij eens anders wee.
Hi) toont u Hectors ga, hem drukkende aan haar harte,
Haar telg, haar huwlijkstrouw en kinderliefde en smarte,
En gij schreit met Andromach.

Nu wij hij ’t koele hart bemeestren,
Het doen ontgloeijen door zijn taal;
Hij zal ’t Spartaarische volk begeestren,
Dat met gebukte kruin vlugt voor ’t Messeensche staal.
Hoe! zal de vijand zegepralen?
Zal Sparte ’t hoofd hier onderhalen,
Gebreideld door uitheemschcn dwang?
Neen, neen, Tyrtus komt; hij doet elks hart ontgloeijen;
Elk stuift naar Mavors veld; Mssene ligt in boeijen,
Gebliksemd door des Dichters zang.

Wat loon hebt gij de stoute zangen
Der troetelkindren der natuur,
Vorsten! volken! doen erlangen?
Wat loon? mijn boezem gloeit dit uur.
Wat loon? Veracht, miskend, verstooten,
Vergeten van zijn tijdgenooten,
Zwerft de achtbre Griek, als vreemdling, rond;
Van ’t licht des dags beroofd, om ’t schamel voedsel smeekend,
En met verzilverd haar, dat luttel nog ontbrekend,
Sterft hij op onbekenden grond.

Zie Vondel, de eer van Nerlands streken,
Verheven, edel, grootsch en stout,
Op d’oever van zijn graf, hier smeeken,
Met ongedekten hoofd, onu ’t sober onderhoud.
De Dichter der bevalligheden
Poot zwoegt, met afgematte leden,
Op ’t veld, door zonnegloed verbrand.
Wat les! dit is het loon van ’t hartbemeestrend zingen:
Wat denkbeeld! ik verstom; de citersnaren springen;
En ’k bloos om u, mijn Vaderland!


Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.