JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

LOFZANG

OP

ANTHONIUS HAMBROEK.

’k Zat eenzaam in het bosch der Barden; ach! geen zangen, 
   Geen heilig loflied klonk, Druiden! door uw loof; 
Mijn lier bleef aan den tak eens eiks vergeten hangen,
      Den storm, en ’t vuig gewormt’ ten roof. – 
Een geest verscheen; – een gloed van licht golfde om hem henen; 
      Hij greep mij aan; ik voelde een heilge siddering; 
   Hij sprak: „Laat, Dichter! af van weenen! 
      Herneem uw lier en zing.” – 
Ik zingen? – ach! verwacht van mij geen stoute zangen; 
      Wat kind juicht, als zijn moeder sneeft?
   De tranen gudsen langs mijn wangen,
      En ’t vaderlandsche speeltuig beeft. 
Neen, ’k heb geen’ jubelzang! hij voegt niet in ons lijden; 
   Ik hef, bij ’t geeslen van d’ orkaan,
 Ten hon van ’t menschdom, dat zich vreeslijk ziet kastijden,
   Hef, in deez’ hartverscheurbre tijden,
      Geen’ huichelenden lofzang aan 
   De vrije vogel slaakt zijn ziel – versmeltbre zangen
Uit blijde en ruime borst, en klapwiekt los door ’t zwerk; 
      Maar, ach! in de ijzren kooi gevangen,
Zwijgt, kwijnt, en sterft hij weg, met hangend hoofd en vlerk. 
’k Derf zangstof, moed en kracht ja, eertijds mogt men zingen, 
   Toen ’t pleit der volken werd beslist in Nerlands raad;
      Thans voegt ons kermend handen – wringen,
         In slepend rouwgewaad. 
Toen zag elk vader blij het heugljk tijdstip naderen,
   Waarop de moederschoot hem blijde telgen gaf;
Toen wist zijn nijverheid zich ’t eerlijk brood te gaderen,
      En zeegnend daalde hij in ’t graf.
      Ja , toen zag de afgeleefde grijze
   Het liet rimpelend gebrek niet aan zijn sponde slaan;
Toen schreeuwde een talrijk kroost niet vruchteloos om spijze,
         En de armo zag zijn’ wensch tienvoudig toen voldaan. 
Toen bragt elk uur genot, elk polsslag nieuwen zegen;
   Het schild der vrijheid straalde in Nerlands heiligdom;
In ieder’ polsslag stroomde ons ’s werelds rijkdom tegen;
      En nu – zwijg Zangster! ja verstom! – 
„Neen, Dichter! rijs en zing, dring door den mist der tijden!
   Ontscheur den tijd zijn prooi; ’k verhelder u den nacht;
Gij moet uw lier den roem van ’t heilig Holland wijden;
         Zing de eer van ’t voorgeflacht.” 
Zoo spreeke de Genius, gedaald uit hooger kringen;
   ’k Voel mij omgord niet kracht, ’t is licht rondom mijn schren;
’k Volg, Barden! ’k volg uw’ zang! ’k zal ’t voorgeflacht bezingen,
         De Helden van ’t voorheen. 
      Hoe ruischen, heilige Druden!
   Uw zangen door dit duister bosch
   Ook ik ruk mij van de aarde los,
Ja, ’k wil hier ook mijne offers bieden: –
      Daar dalen ze op hunn’ wolkentroon!
   ’k Herken u, aangebeden Vaderen
   Aanbidding zwelt me in hart en aderen,
   Daar ik die Goden – teelt zie naderen,
En in een’ breeden kreits zich om mij hen vergaderen;
      ’k Herken u, echte teelt der Gon! 
Daar zweven ze aan in nevelkringen,
   Ontzaglijk als een Godenraad,
   De rust der deugd op ’t forsch gelaat:
Wien uwer, Goden! zal ik zingen? –
   Daar ziet mijn geest Formosa’s strand!
Daar rijst, met eeuwig licht omtogen,
De schim van Hambroek voor mijne oogen,
   Den Regulus van Nederland.
Hoor, kroost der Helden! hoor mijn zangen;
   Dat hij verga, wiens woest gemoed,
   Voor Hambroeks deugd geen’ tranenvloed
Van eerbied gudst langs dankbre wangen!
   Zoo lang Formose uit d’ oceaan
Zijn’ bergen – top heft naar de wolken,
Zal (stort in ’t niet, uitheemsche volken!)
   Zal Hambroeks deugd voor eeuwig staan.
Ja, ja, al stort in de oosterbaren
   Formosa ner! ’s Helds roem staat pal,
   Voor de oogen van ’t verbaasd heelal;
Hij, bloem van Nerlands heldenscharen!
   De deugd hangt niet aan tijd of lot;
Ze ontscheurt zich ’t aardsche, is onverderflijk;
Zij staat ; ze is heilig , ze is onsterflijk;
   Zij staat: ja eeuwig is ze, als God! 
Kunt gij nog weenen ? nog besproeijen
   Der vaadren graf? heeft nog de smart
   De bronwel niet verdroogd in ’t hart?
 Kroost der Helden! laat ze vloeijen
   Die tranen, pleng ze op Hambroeks graf;
’t Zijn paarlen, die voor ’t oog der aarde
Nog borgen strekken van uw waarde;
   Ach! sta ze voor geen schattcn af. 
Ja! ’k weet het, dierbre schim! mijn tranen
   Begeert uw deugd niet, als een loon:
   Uw daad blijft in zich zelve schoon!
Maar lucht moet ik mijn’ boezem banen.
   ’k Veradel mij! ’k gevoel mijn’ stand!
De tranen, ’t dankbaar oog ontschoten,|
Verstrekken, dierbre landgenooten!|
   Ons ten verbroedrend onderpand. 
Wat stoft ge,  Romers! op uw Helden,
   Op Roovers , ’s aardrjks geeselroe?
   Neen! ’k breng geen’ tijger hulde toe;
Mijn lied zal nooit zijn kracht vermelden,
   Als hij, door razernij bezield,
Van uit zijn moordhol losgebroken,
Het veld doet in een’ bloedstroom rooken,
   Mijne echtgenoot en kroost ontzielt. 
Klinkt, zangen! Nerland! sticht altaren!
   Breng wierook, mirre en mastik aan!
   Zweef met mij over d’ oceaan
Naar ’t gloeijend zand der oosterbaren!
   Daal met mij op Formosa ner!
Zie Hollands vlag op ’t bolwerk zwieren,
’t Kasteel omsingeld van banieren,
   En Coxinga’s ontelbaar heer. 
Hij stormt! – zijn heer wordt afgeslagen,
   Zijn woede blaakt en schuimt het land;
   Ach! Hambroek valt zijn rot in hand,
Verwijderd van zijn kroost en magen.
   Daar straat hij in het dierenperk,
Door hel en tijgers aangeschonnen;|
Hij staat! zijn deugd blijft onverwonnen,
   De hel en Coxinga te sterk. 
De vesting moet zich overgeven;
   (Dus is ’t, dat Coxinga thans brult)
   Snel heen! zweer, dat gij keeren zult;
Keert ge onvoldaan, uw lot is sneven.
   Kalm, als een zomerdageraad
Staat Hambroek bij die horde krijgers,
Veracht het brullen van die tijgers,
   Stemt toe! verheft zich! – zweert! – en gaat – 
Hij komt! – hij drukt zijn kroost in de armen!
   Hij spreekt: geef nooit de vesting op!
   Wat zult gij om mijn’ grijzen kop?
Uw pligt is ’t Nerland te beschermen. –
   Hij zwijgt daar alles schreit en beeft,
Sterkt hij elks moed, verzacht elks smarte,
Klemt zeegnend gade en kroost aan ’t harte,
   Keert – bidt – stijgt op ’t schavot – en sneeft. 
Hij sneeft! – neen! neen! dit is geen sneven,
   ’t Is de overgang tot eedler stand!
   Zijn naam blijft in elks hart geplant,
Blijft eeuwig in elks boezem leven
   Zijn voorbeeld is een heilge schat,
Dien nooit zich Holland laat ontrooven,
Schoon ’s afgronds geest, zijn’ poel ontrooven,
   Op ons zijn giftig zwadder spat. 
’t Verderf kan slopen Hollands wallen,
   En zwelgen Nerlands harte – bloed;
   ’t Geweld kan met zijn’ ijzren voet
’s Lands ringmuur voor zijn knods doen vallen:
   Maar hoe ’t geweld zijn’ bliksem schiet,
’t Zal nooit zijn razernij gelukken,
Den roem der vaadren ons te ontrukken,
   Neen , dien verdelgen kan hij niet. 
Wie zal het licht der zon verdooven,
   Het vuur, dat eeuwig in haar brandt?
   Wat sterfling zal den diamant 
Zijn’ ingeschapen gloed ontrooven?
   Beproef het, dwaas! ja, ’k hoor ’t gedruis
Der vruchtelooze mokerslagen
Gij kunt zijn glansen niet verdragen;
   Verpletterd, schittert nog zijn gruis. 
En wij, op wie die glansen dalen,
   Die glansen van het voorgeslacht!
   Laat, laat ons, in dees jammernacht,
Ons dankbaar koestren bij die stralen!
   Ja, Hambroek! ’t voorbeeld, dat gij gaaft,
Was niet vergeefs gaat niet verloren
Blijft eeuwig in elks borst bezworen
   Ja! ’r Hollandsch hart blijft onverslaafd. 
Op, doode steenen! op , in ’t leven!
   Bezielt u ! ’k zie der vaadren oog
   U volgen van hunn’ wolkenboog;
’k Zie Hambroek, Goden! om u zweven.
   Op! op! gij gruwt van slavernij!
Wel aan! het schandkleed van uw leden!
Herleeft! de renbaan ingetreden!
En moet gij sterven, sterft! – maar vrij! – 
Dus zong ik in het bosch der heilige Druden, 
      Daar mij het voorgeslacht verscheen: –
Ach! ’k zag mijn’ Landgenoot mijn vrije Zangen vlieden;
      De geest van Nederland verdween,
      En ’t bosch werd duister voor mijn schren. 
’k Zocht, tijdgenoot! bij u een voorwerp voor mijn dichten, 
      Een’ Held, die over ’t lot gebiedt!
   Ik vond slechts flaauwe schemerlichten
      Maar Nassaus, Ruiters, vond ik niet. – 
Zoo zien we een’ kunstnaar op Palmyra’s bouwval treuren; 
   Hij zoekt naar Grieksche kunst op ’t nergestormde arduin;
Hij wil van onder ’t zand den tijd zijn prooi ontscheuren;
      Hij zoekt: – wat vindt hij? – nietig puin!

Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.