JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

DE HANDEL

Wat stoutheid durf ik mij vermeten
Ik waag het, heilige Poten!
     Mijn lier te grijpen van den wand! –
Ik waag het, met vermolde vingeren,
Voor ’t oor van Vondels mededingen,
Mijn doove bliksems uitteslingeren!
Terwijl, hart – en zielbedwingeren!
     Uw oogstraal op mijn voorhoofd brandt.

Durf ik het wagen, Kunstenaren!
Mijn’ wanklank met den galm te paren,
     Dien ge uit uw citers stroomen doet?
Durft mijn geneurie U vervangen?
En verwt geen schaamteblos mijn wangen?
Ik zingen! – hier! waar zaal en gangen
Wergalmen van uw godenzangen,
     Waar ’t Hollandsch harte slaat in gloed.

Ja! ’k durf het! door uw’ aanblik stouter;
En nader tot het heilig outer,
     En wierook daar den God van ’t licht.
Verrukt, begeesterd, opgetogen,
Dichters! door uw zangvermogen,
Versmaadt gij nier mijn krachtloos pogen!
Neen! gij zier met gunstige oogen,
     Barden! op mijn nietig dicht.

De Reiziger ziet Romes wallen
Op Tempels en Paleizen brallen,
     Op Zuil, Fontein, en Tibervliet;
Maar hij, aan de eeuwge stad ontweken,
Frascaties slingerende beken,
En Tivolies vergode streken,
Rust van zijn’ togt, aan stille kreken,
     En smaadt daar ’t nedrig hutje niet.

Een Vader, van de reis gekomen,
Drukt blij, aan de ouderlijke zoomen,
     Het eerst aan ’t hart zijn gade en kind!
Vergeten zijn die bange nachten,
Waar in hij naar dien kus bleef smachten!
Zijn Vriend blijft in verschiet hem wachten,
En hij, hij zal thans niet verachten
     Den handdruk van zijn’ ouden Vrind.

Al praalt geen lauwer op mijn’ schedel;
Het voorwerp van mijn’ zang is edel;
     Ik zing den Handel, meld zijn’ lof:
Die Lofzang ruischt van Hollands stranden
Tot aan de verre Zuiderlanden!
En gij, gij voelt uw hart ontbranden,
Dichters! bij die offeranden,
     Bij de overdierbre en rijke hof.

Welaan dan, Vrienden! ’k durf het wagen,
Des Handels lof hier op te dagen;
     En gij, gij neemt mijn zangen aan. –
Het toverlied der Filomeelen
Blijft uwe ontvlamde boezems streelen,
Bij lentes stille veldtooneelen!
Maar echter duidt gij ’t nietig kwelen
Van min begaafde en zwakker kelen,
     Verscholen in de wilgeblan. –

’t Is feest! – Wel aan! niet moed en geestkracht mij omschorst;
De God van Delos wenkt, bezielt, ontvlamt mijn borst.
De Priesters naadren tot het outer! langs de wanden
Werkaatst het purperlicht der heilige offeranden;
De geur van ’t Morgenland, de Mirrhe en Mastik zweeft
Door ’t tempelkoor des Gods; die op den Pindus leeft;
De Maagden naderen met statige ommegangen,
Daar ’t I wedergalmt, daar godgewijde zangen
De lucht vervullen, daar de klank der veldschalmei
Het bosch doordavert, en het landvolk roept ten rei:
Komt, Keurgenooten van den God! op ’t plegtig heden,
Het hart vol heugen ernst, den tempel ingetreden!
De grond drinkt reeds het bloed van d’ uitgezochten stier;
Komt, Ingewijden! komt. – Onheiligen! van hier!
Staat af, eer Phebus wraak u ’t schuldig hoofd verpletter’;
Maar gij, Gewijden! die den grooten Landontzetter
Uw hulde toebrengt, komt! heft foute hymnen aan!
Dat de adem van uw lied ruisch’ door de lauwerblan!
De aanbidding, die uw hart doet zwellen, u doet blaken
Van heilige aandrift, spelt dat Phebus zal genaken!
Ja, ’t outer schudt en beeft! hij komt, de God! hij komt. –
Gewijden! schept den zang. – Onheiligen! verstomt. –

     Wiens feest is ’t? Priester! spreek, waar toe dit offerplengen?
Wie is verwaardigd in uw reijen zich te mengen?
Den God des Handels (spreeke ge) is ’t hooge feest bereid;
Dos u in ’t pleeggewaad! aanschouw de plegtigheid,
Bezing ze! – Ja! ik wil den Lof des Handels zingen!
Ook ik trede in den rei van Phebus gunstelingen;
’t Kastalies bronnat, dat van Pindus heuvlen snelt,
In zilvren waterval zich uitgiet over ’t veld,
En Delfos heugen grond dooradert, mag mij laven,
En Zanggodessen! ik verbeurde nooit uw gaven.

     Stort boezem, stort u uit! en gij mijn zangen vliet!
De Lof des Handels zij het voorwerp van mijn lied!
Zijn nut, zijn kracht, zijn magt, zijn luister, alwaardije,
Is uwer niet onwaard, vergode Pozije!
Onsterfelijke! ja, gij spreekt uw lessen uit,
En boeit het menschdom aan de klanken van uw luit!

     Gij, wien de God des Rijns, langs vlakgestreken baren,
Van de Agrippijner had naar Holland af zag varen;
Vondel fiere Zwaan! die, in uw steile vlugt,
Geen’ Mededinger kent, geen’ Overwinnaar ducht,
Die forsch uw flagwiek klept, u baadt in de ethertransen,
Ons, wriemlend dwergenteelt, doet duislen voor uw glansen,
Als ge, aadlaar van ’t gebergt’! met godenbliksems speelt,
Of, Leda’s Zwaan gelijk, van liefde en rozen kweelt;
Die als een godheid heerscht door de almagt van uw zangen,
En vreugde en weemoed van uw klanken af doet hangen!
Doordring mijn’ boezem met uw geestkracht! laat n vonk
Van ’t ongeschapen vuur, dat in uw harte blonk,
Ook mij doorgloeijen, ja omzweef mij! onbedwongen,
Stort gij uw ziel in ’t lied; gelijk de watersprongen
Zich nederstorten in het rillend, schuimend meer,
Stort ge u, in zangen, op de boosheid dondrend ner;
Verplettrend als een storm, en zacht als lentebloesem,
Verbrijzelt gij het hart, of laaft en strookt den boezem!
Vondel! voer mijn’ geest met u naar hooger’ kring;
En dat, (vermeetle wensch!) ik uwer waardig zing. –

     Neen, Landgenooten! neen; ’k wil u geene aandacht vragen;
Ik hoonde u, deed ik dit! ik zou uw hart verlagen;
Ik zing den Handel, meld zijn’ luister, schets zijn’ lof,
En ’t echte Hollandsch hart zou koel zijn hij die stof?
Hoe! Blijft een zoon ooit koud, bij ’t sterfbed van zijn’ Vader?
Neen! oudermin, neen, liefde, ontgloeit hem hart en ader;
Ach! handenwringend, ach! vol wanhoop, gilt zijn hart
Den naam des Vaders uit, in duldelooze smart;
Of roer bewusteloos staart hij verward in ’t ronde,
En vest zijn’ hollen blik op de aangebeden sponde,
En ziet, en hoort, en voelt, en weet, en denkt niets meer.
Nu zet een grijze Vriend zich aan het sterfbed ner,
En doet uit volle borst den lof des Vaders stroomen;
Die lof heeft aan den Zoon zijn weesloosheid ontnomen;
Nu kan hij schreijen, zich gevoelen, nu den mond,
De handen kussen, hem zoo heilig op deez’ stond!
Nu kan hij, snikkende en met tranen op de wangen,
En les, en zegen, uit zijns Vaders mond ontvangen!
Nu kan hij bidden! durft zelfs hopen! en zijn hart
Smaakt zelfs een treurge vreugd in d’ afgrond van zijn smart.
Mijn Vrienden! dus ook gij, gij wilt den Lofzang hooren;
Met wellust stroomt de roem des Handels u in de ooren!
Hem dankt gij alles. – Ja, wiens borst slaat niet in gloed,
Bij ’t zien van de achtbre kruin, die hem heeft opgevoed?
Ja, Hollands grond draagt nooit den onverlaat, den basterd,
Die de overdierbre borst, die hem gevoed heeft, lastert.
Neen, ik misken u niet; de vlam, die mij doorgloeit,
Vlamt in uw boezems ook, wordt nimmer uitgeroeid.
All’ wat gij waart, en zijt, all’ wat uw Vaadren waren,
(Die Goden, veel te hoog voor mijn verstramde snaren!)
Zijt gij verschuldigd aan den Handel! ieder tred,
Dien ge in uw steden, op uw landverblijven zet,
Meldt u zijn mogendheid, zijne almagt; ja uw leven
Zoudt gij, (’t is mij bekend,) voor zijn behoudnis geven!
Gewis dan leent ge uw oor aan ’t stemmen van mijn luit;
Wat zeg ik? neen, uw hart streeft reeds mijn’ zang vooruit.

     Vergeefs doet gij, Rousseau! uw toovertaal ons hooren!
Neen! voor den dierenstaat is ’t menschdom niet geboren;
Om rond te zwerven in de bosschen, op den boom
Te klautren, om zijn’ dorst te lesschen aan den stroom!
Neen, dit is d’ adeldom van onzen geest verlagen!
Hem, wien een schepter voegt, een’ rietenstaf doen dragen! –
Dat dierlijk leven, dat afschuwlijk plantbestaan,
Dat ons, als ’t stuivend blad, doet worden, en vergaan,
Ons slechts het heden toont, geen toekomst doet verwachten,
De ontwikkeling belet van geest- en ligchaams krachten,
Was, heilige Natuur! uw doelwit niet, neen!
Gij wildet, in elks heil, ’t geluk van ’t algemeen,
Gij, ons aan ’t drabbig slijk der bastaardij ontscheuren,
En de aard’, meer edel, ’t hoofd doen uit de wolken beuren.

     Wat was het middel, waardoor ’t Menschdom uit den nacht,
Den poel van woestheid, ter beschaving werd gebragt?
Wat geest, wat godheid sprak? wie heeft de woeste horden
Vereenigd? wie den Mensch het eerst een Mensch doen worden?
De Handel was het; ja, Gewijden! hij verscheen,
En ’s Menschen geest ontlook, en bastaardij verdween.

     Dit was uw wil, Natuur! ge onthieldt aan’t baldrend Noorden
De schatten, die gij schonkt en kweekte aan Ganges boorden.

     Gij, die den Handel smaadt, zijn mogendheid veracht,
Van ’t lauwerveld alleen de onsterflijkheid verwacht;
Veredelt u! wordt Mensch! schiet met mij aan uw wieken;
Zweeft d’ aardbol met mij rond van Noord- naar Zuiderkrieken.

     ’k Sta hier, waar de ijsbeer gromt, de orkaan afgrijslijk brult,
De grond, in mist, in nacht, in sneeuw, in ijs gehuld,
Schaars leven voortbrengt; waar, uit diepversteende voren,
’t In een gekrompen ras geene oogsten zijn beschoren;
Of zoo ’t n halmtje velt, waar van het stervend leeft,
Dat door oneindig zweet den grond ontwoekerd heeft;
Waar ’t alles woestheid is, ontzetbaar, vol verschrikking.
Geen beekjen golft door ’t land, geen bron welt tot verkwiking;
Geen oog ziet hier een’ boom in rijken blaadrendos;
Der raven wild gekrijsch doorhuilt alleen het bosch;
De walvisch geeselt met zijn’ staart de woeste schotsen,
Die scheurend van elkar verdelgend nederbotsen,
En d’ ijsbeer met zijn prooi verbrijslen, die zijn’ muil
Bebloed hier opspart met een hongerend gehuil;
Het rendier, onverzeld, schreeuwt hier hij ’t uchtendgraauwen,
En voelt door neveldamp zich ’t ranke lijfbedaauwen;
Terwijl de Landzaat nooit het zoet der lieve leut’,
’t Gebloemt’ van Enna, noch zijn’ wellust heeft gekend;
Hij, door zijn hond – gespan gevoerd, langs Lena’s boorden,
Doorrent de onmeetlijkheid dier ongezegende oorden.

     Ik gruw, ’k verplaats mij nu aan Ganges heilgen vloed;
Hier zweeft de vruchtbaarheid, met zegenenden voet,
Door zaalge velden rond; hier dartlen haar gespelen,
De welvaart, liefde en vreugd, die in dien wellust deelen!
Neen; ’t is niet de overvloed der barende Natuur,
Dien ik aanschouw, neen! ’t is haar weelde! ja, elk uur
Biedt zij haar schatten aan uit nooit geleegde voren;
Een eeuwge Lente doet hier eeuwig ’t Loflied hooren!
Hier holt de parel in het diep van d’ Oceaan;
Verfrisschend biedt hier ’t bosch zijn vrucht, zijn’ lommer aan!
Wat volop der Natuur, wat weelde, wat verkwisten!
De vooglen, gloeijend van Topazen, Amathisten,
Smaragden en Safier, doorzweven ’t kruidrijk land,
Daar ’t zevenverwig licht op purpren kuiven brandt;
De vlugtige Gazel speelt onder de Amvaboomen;
De Nagakozar golft op Ganges heilge stroomen;
De Lotos, rijk in kleur, praalt hier in rooden gloed;
De Waterlelij strooit heur geuren langs den vloed!
De grond is overdekt met bloemen, allerwegen
Stroomt nieuwe levenskracht u uit elk koeltjen tegen;
Daar spieglen zich in ’t nat der zilvren waterplas
De blozende Granaat, de Olijf en de Ananas;
De geurige Kaneel omschilt hier de Amberbosschen;
’t Gebergte omslingert zich met Bacchus heilge trossen,
Van palmen overschauwd! het frisch citroenendal
Juicht, op het ruischen van den heldren waterval,
Die, als Manders vloed, het broodboombosch doorkronkelt,
Daar ’t stofgoud, in ’t azuur des zilvren Landstrooms, fonkelt.

     Natuur heeft dus haar’ schat verkwist aan dezen grond.
Schouwt verder, snelt met mij den bol des aardrijks rond;
Ziet d’ overdierbren bast op Perus grond ontsproten,
Den erts bij Mexico in ’s aardrijks nacht besloten,
Eerst opgedolven, dan gelouterd en verspreid:
Natuur! uw doel is n, uw werk verscheidenheid.

     Waartoe die vruchtbaarheid, een deel der aard’ geschonken,
Daar ’t ander met geen bloem, geen’ halm, geen vrucht mag pronken?
Hoe! hebt gij dus, Natuur! stiefmoederlijk en wreed,
Alleen uw gaven aan een deel der Aard’ besteed?
Schenkt gij uw gunsten slechts aan ’t Oosten, vloekt gij ’t Noorden?
Neen! ik laster niet; ’k herroep die dwaze woorden:
Ja, die verscheidenheid, die ik op d’ aardbol vind,
Is weldaad, is een band, die ’t all’ aan een verbindt,
Hij maakt het een gewest afhanklijk van het ander;
Ja, mededeeling hecht de volken aan elkander!
Dit wildet gij, Natuur! de Handel moest bestaan;
’t Gebrek van ’t Noorden moest door ’t Zuiden zijn voldaan;
De wierook van het Oost moest aan de Westerstranden,
In Perus goud gelijst, op heilige outers branden:
Dus vormt ge, Handel! de Aard’ tot n Gemeenebest,
En hecht het Zuid aan ’t Noord, en ’t Oosten aan het West. –

     Hier rijst de Handel in zijn’ luister; onverdoofbaar
Straalt ons zijn glans in ’t oog, door nijd noch tijd ontroofbaar;
Hier staat hij, ’t godlijk hoofd omkranst met eppeblan;
De Zeevaart wijst hem ’t spoor langs d’ eeuwgen Oceaan;
Geen afgrond, steenrots kloof, geen hartverplettrend woeden
Der losgebrasten Zee, belet zijn voorwaarts spoeden;
Hem is de stroom een beek, de vuurberg nietig puin,
De Zee een waterplas, en de Atlas slechts een duin;
Hij vuurt de geestkracht aan, ontvonkt het denkvermogen,
Schenkt wieken aan ’t vernuft, en voert het naar den hoogen;
De welvaart, de overvloed, verzellen steeds zijn zij,
En hij is de oorsprong, band, en steun der Maatschappij.

     Ziet gij dien grond daar niet, in lis en wier begraven,
Naauw aarde, ’t woest verblijf van roerdomp, meeuw en raven,
Die hongren naar hun prooi aan d’ oever? slechts n hut,
Naauw voor het buldren van den woesten storm beschut,
Verheft haar lage kruin, uit rieten zaamgebonden,
Voor ’t oog van ’t arm gezin, uit deze moerge gronden!
Een stroom, ’t is de Amstel! rolt hier eenzaam, ongekend,
Versmaden golven voort, daar hij zich zeewaarts wendt.
Dees naauw bewoonbre grond, waarbij slechts Visschers varen,
Zal nooit het drassig hoofd verheffen uit de baren,
Is door Natuur gedoemd, vergeten- en versmaad;
Neen! de Handel komt! – en Amsterdam bestaat!
De handel spreekt! de grond, in wier en moer bedolven,
Rijst magtig naar omhoog, ontscheurt zich aan de golven.
Mijn vroege jeugd heeft ook die pracht, die magt aanschouwd,
Toen de Amstelgod, toen ’t lJ, zich doste in smijdig goud.! –
Van waar die overvloed, die welvaart? zal ik ’t vragen?
De Handel had zijn’ arm om Amsterdam geslagen;
Hij gaf haar luister, magt, en veerkracht, en de hut
Veranderde in een stad, die Vorsten heeft beschut. –

     Rijk is de Zangstof! U, vrijmagtbre zielbeschikster!
U, Dichtkunst! voegt de zang! U, geest- en hartverkwister!
Ik, nietig ondeel! aan den slijkklomp vastgesnoerd,
Grijp vruchtloos naar den toon, die treft, verrukt, vervoert,
Ons mesleept, overslelpt, verhemelt, die uit snaren,
Met godenalmagt, vreugd of weedom op doet varen;
Elk denkbeeld, dat ik schep, is ijdel, schaduw, schijn,
Is als dat droombestaan, half zijn en niet te zijn;
De beelden, die ik vorm, zijn als de nevelschimmen
Van Fingals voorgeslacht, die flaauw door misten glimmen,
En 1uistren naar den toon des weemoeds, als haar Zoon,
Verlaten, eenzaam, blind, op zielversmeltbtren toon,
Den rouwzang aanheft, en, met ongevlochten haren,
Om zijn Malvina schreeuwt bij ’t brullen van de baren.
Maar gij, Dichtkunst gij, schepster! spreekt, en ziet,
En daagt de wezens op uit d’ afgrond van het niet;
Zij komen, scharen op hun hoefslag zich, en orde!
Gij spreekt: ’t zij licht! en ’t is; gij wenkt de zonnen worden,
En sterven. – Ja, gij dost, in ’t kleed van licht en vuur,
Elk denkbeeld, dat gij schept: ’t is leven, ’t is Natuur!
Maar hoogcr, edeler, dan ooit onze oogcn zagen;
’t Voegt u des Handels lof, Onsterflijke! op te dagen!
’t Is uwer waard’, die stof! uw taal is hemelval,
Welluidend, als ’t muzijk der Sferen, die ’t Heelal
Doorzweven, nooit gehoord aan ’t oor der stervelingen,
Wier stoflijk zintuig tot uw’ gloed niet door kan dringen;
Schenk mij van’t gloeijend licht, waar in ge u baadt, n sprank,
En ’k boei het menschdorn aan uw’ zilvren citer – klank.

     Van hier die onverlaat, die onmensch, die, verloren
In beestlijkheid, de stem der rede niet wil hooren!
Van hier de ellendeling, die, uit zijn’ dorren nacht,
Den Handel smaadt en vloekt, zijn mogendheid veracht! –
Moest dan Natuur zich zelv’ bedriegen? zijn de schatten,
Die ze uit de vruchtbre voor vrijwillig uit doet spatten,
Dan nutloos, zoo n deel van ’t land slechts wordt gevoed,
En ’t ander deel verarmd, en hongrend sterven moet?

     Waar toe gewroet, geslaafd, waar toe aan Riga’s stranden,
Den ploegstaart vastgeklemd in dikvereelde handen,
Noorman! vr den dag, in mist- en nevelgraauw,
De harde klont gekneusd, reeds vr den middag flaauw?
Waar toe die gouden Zee van rijpe korenaren,
Die omgolft op uw lucht, als opgezette baren?
Een tiende deel van d’ oogst ware u genoeg, te veel;
Maar neen! uw overvloed valt aan het Zuid ten deel.
Nu stroomt naar ’t Baltisch Meer, tot wissling van het koren,
De hartverhefbre boon, op Mocha’s grond geboren!
Het frisch Citroenenwoud biedt, bij den Lusitaan,
Den Schandinavier zijn gulden applen aan!
Nu stijgt de Zonnegod ten wagen; uit het Oosten,
Zal hij het Noord’ en Zuid’ met wierook – gaven troosten!
Hij komt, hij put zich uit in gaven; de amberlucht
Golft nu Europa door, met Banda’s kostbre vrucht;
De geurige kaneel der Taprobaansche bosschen
Heeft eenmaal de Amstelstad doorwemeld; Bacchus trossen,
Den Rijn, den Taag ontvoerd, verplengen zich in ’t West;
En ’t geeft den schat ons wer aan ’t suikerriet ontprest!
Ja, de overdierbre schors der Peruaansche boomen
Doet nieuwe levenskracht Europe in de nadren stroomen.

     Bedrieg ik mij? neen! naar Hperions stad
Verheft de Phenix zich; zijn graf, zijn bakermat
Torscht hij in purpren klaauw; de goddelijke vogel
Draagt Mirrhe en Alo op d’ Amathisten vlogel;
Ecn stroom van vloeibaar goud golft door der veedren pracht,
Met gloeijende Safiers en Esmerauds bevracht!

     Hij strijkt op ’t gulden dak van Hperions tempel,
En legt en tak, en wieg, en graf, op d’achtbren drempel.
Van daar rijst hij omhoog in nooit verstorven dos,
Voert d’ Amber, Mirrhe ons toe uit Jemens geurig bosch,
In zilvren snavel, in den purpren klaauw besloten!
Die goden geuren, op Europa uitgegoten,
Doorweemlen veld en land, kapel, en bosch, en dal,
En Mekka’s wierook golft door ’t Christen dankgeschal.

     Rijs hooger, Zangeres! ’t zegt weinig, dit genieten,
Dien stroom van overvloed op ’t menschdom uittegieten;
Handel! neen! gij hebt oneindig meer verrigt,
U zelv’ de onsterflijkheid geheiligd! – rijs, mijn dicht!
Ontlast uw’ boezem, ja, gelijk een waterdruppel
Verdwijnt in d’ Oceaan! niet anders als een gruppel
Verzinkt bij de Oronoke, en Hollands nedrig duin
Het zandig hoofd verbergt voor Chimborasfo’s kruin;
Zoo ook verdwijnen, zoo verzinken al de schatten,
Die gij, Handel! de aard’ doet in haar’ arm omvatten,
Bij hooger’, eedler’ schat, dien gij aan ’t menschdom schenkt!
Gij hebt den Mensch gevormd, door u is ’t dat hij denkt.

     Gewis! hij denkt door u! – door u alln! – wat klanken
Zijn rein, zijn stout genoeg, u naar waardij te danken?
God des Handels! ja, gij hebt den mensch gevormd.
Wat was hij, eer gij kwaamt? als wriemlend aardgewormt’,
Kroop hij een leven door, gelijk aan ’t wild gebroedsel,
Dat door woestijnen brult, en omschreeuwt naar zin voedsel.
Alleen voor ’t heden leeft, niets van ’t aanstaande weet,
En toekomst, en voorheen, in ’t vlugtend thans vergeet;
Zoo waart ge, menschdom! ja de vonk was niet geslagen!
Het zaad lag nog in de aard’ bedolven! al de plagen
Des dicrenstaats, ’t gebrek, de roof, verraad, de schrik,
De razernij, de moord, doorhuilde elk oogenblik
De woeste velden; in de bosschen, uit de kuilen
Der steenkloof, hoorde de aard’ verbeeste menschen huilen,
Aan ’t wild gediert’ gelijk in neiging! welk een lot,
Onwaard’ zijn’ aanleg, doel, bestemming, schepping, God!

     Wie twijflen durft, treedt toe, volgt mij naar Vuurlands rotsen!
Ziet hier ’t verdierlijkt mensch d’ orkaan, de stormen trotsen;
Zoekt in dat ongediert’, dien klomp, uw’ aanverwant;
Misvormd, verstomt, en naakt, doolt hij aan ’t klippig strand,
En aast op kreng en smeer, een prooi des fellen winters,
En slaat in ’t holle lijf de in ’t ijs begraven splinters
Van d’ omgestormden boom, en doet hij ’t lijf te goed,
Dan is een hond zijn spijs, zijn drank ’t geplengde bloed.
Op Hoshelaga’s grond, bij Niagara’s golven,
Ligt de Illinees in vos-, of bevervel bedolven;
Hij rigt zijn Wigwhan op in nooit betreden spoor,
En ronkt met hollen buik en lente en zomer door.
De winter zweept hem op! nu durft hij ’t wild bestoken,
Op dat zijn ketel zied’, zijn kalumet moog’ rooken;
Onvatbaar, als een steen, voor vreugd en huwlijksmin,
Keert hij, verslindt zijn prooi, valt ner, en snorkt wer in.
Wilt ge in een ander oord den dierenstaat aanschouwen,
Mensch! wel aan, volg mij naar de Attische landouwen!
Hier ligt het Voorgeslacht van Plato, Xenoplon,
In ’t hartenvel genaaid, te blaakren in de zon!
Het wordt, het groeit, het sterft, bewustloos als de boomcn,
De planten, die den boord der Landrivier omzoomen.
Maar neen, dit zwart tooneel zal langer niet bestaan!
De God des Handels komt, hij spreekt, het licht breekt aan.
De steden rijzen op bij ’t klinken van de snaren
Corinthe heft het hoofd uit wederzijdsche baren!

     De wetenschap, de smaak, de trits bevallighen
Doorzweven Attica, en slingren zich door n!
Uit marmer rijst Atheen’! de Handel gaf haar ’t leven;
Zij roem’ vrij op d’ olijf, haar door Minerf gegeven!
Ze erkenne in ’t snuivend ros een gift des Water – gods!
Maar op haar’ Handel, op haar’ Handel is zij trosch;
Hem rijst haar lofzang! ja, haar welvaart, kunsten, zeden,
Haar fijn gevoel voor ’t schoon, haar smaak, bevalligheden,
Haar geestkracht, haar vernuft, wat zeg ik? haar bestaan,
Haar aanzijn dankt zij aan den Handel: ’t was gedaan,
’t Was uit met haar, toen ’t heer van Xerxes, losgebroken,
Hare outers spijten deed, haar tempelen deed rooken,
En ’t ouderlijke graf zag barsten in den gloed!
Toen zondt ge, Handelgod! uw telgen op den vloed;
Op schepen wist Atheen’ haar grootheid te bewaren,
En bliksemde uit de zee de vijandelijke scharen!
De Hellespont zag toen vernederd, naakt en bloot,
Den wuften Xerxes wer, die als een damhert vlood.

     Athene! toen herreest ge in ongekenden luister;
Des mcnschen vrije geest ontwrong zich aan den kluister!
De schors der ziel viel af; rein, als een zonnestraal,
Was, Phidias! uw werk, was, Sophocles! uw taal!
De wijsbegeerte sprak door Plato tot heel de aarde,
En ’t was de Handel, die die reeks van wondren baarde.

     Ja! ja! gij twijfelt niet, Gewijden! ja, gij kent
Het alvermogen van den Handel! schoon de ellend
U in den afgrond der vernedring af deed dalen,
Uw hart, uw Hollandsch hart durft nog dien lof herhalen. –

     Wat zou deze aardbol zijn, zoo geen bevruchtens kracht
De kiemen in de stof tot groei, tot leven bragt?
Die kracht, bezielend, door de schepping voortgedreven,
Roept erts, roept plantenrijk, en mensch, en dier in ’t leven!
Wat was deze aarde, zoo geen telenskracht bestond?
Een koude, een doode bol dreef dan door d’ ether rond,
Onwaardig de oogen van een Godheid! – maar thans baden,
Thans leven, voelen zich ontelbre myriaden
Van wezens, zweven rond, en golven op de lucht;
De zee, de waterdrup, ’t leeft alles, is bevrucht,
’t Baadt alles in genot, voelt werking, kracht en leven:
De Vlinder, wien de lente op gouden wiek ziet zweven;
De Polypus, die zich in ’t zilvren nat onhoudt;
De Mijt, die in n’ drup een’ wereldbol aanschouwt;
De onmeetbre Walvisch, die den Oeeaan doet koken;
De in goud gedoste Leeuw, zijn steenkloof uitgebroken;
De Mensch, het schoonst gewrocht, dat ooit de schepping zag;
Ja! de erts, in ’s aardrijks schoot verborgen voor den dag;
’t Voelt all’ ontwikkeling, geen stofje gaat verloren;
’t Leeft alles, door n kracht, de wezens ingezworen.
Zoo zijt ge, Handel! de bevruchtenskracht der ziel
Zij leeft, zij breidt zich uit, waar ooit uw zaadkorn viel.
Ja, ’t is door Handel, dat het menschlijk denkvermogen,
Op vleuglen van den geest, zich opheft naar den hoogen;
Ja, hij verbroedert de aard’; verlichting stort hij uit;
Hij scheurt den slagboom weg, die volk van volken fluit!
Door hem zijn orde, en tucht, en wet, en regt geboren;
Verdraagzaamheid! uw stem deed hij aan ’t menschdom hooren!
De Martelvuren zijn gedoofd, waar hij verscheen;
Het ijzren priesterjuk werpt hij verbrijzeld heen;
En Muzelman, en Jood, en Christen, Japaneezen,
Brengt hij in broederschap met Tarters en Chineezen;
Hij kent geen’ eerdienst, u een! dan zeedlijkheid en deugd. –

     Gij, die in d’ adel van den Mensch uw ziel verheugt,
Die zijn volmaakbaarheid niet schat voor ijdle droomen;
Laat voor des handels lof uw ziel in verzen stroomen,
Ontlast u, stort u uit! omkrans hem! bid hem aan!
Door hem gevoelt uw geest de waarde van ’t bestaan;
U schoot hij wieken aan: wat zeg ik? Nederlanders!
Toon hij, de Handelsgod! bezielde en sterkte uw standers;
In d’ onvergeetbren tijd, ja, in uw gulden eeuw,
Ontlook uw helden – tal, verdedigd door uw’ Leeuw!
Gij kost, ja gij alln, Europa toen verlichten!
Onsterflijk door den kling, door deugd, door geestkracht dichten!
Toen hadt ge uw’ Vondel hadt ge uw Hoofdcn, een’ de Groot,
Die in zijn brein alleen, wat de aarde ooit wist, besloot;
Toen hadt ge uw Huigens! uw de Witten! Barnevelden!
En de aardbol eerde uw Land-, uw Zee- en Lettcrhelden.

     Wat onuitputbre stof! gij Handel! gij verschijnt;
De dorheid van den geest, ook die van ’t Land verdwijnt ;
’k Hoor hier op ’t gloeijend zand, bij ’t ruischen van de palmen,
Uw’ lof, Zenobia! den lof des Handels galmen;
Hier waar het tijgerras rondschreeuwde om ’t hongrend nest,
Verhief Palmira zich, rees een gemeenebest!
Van uit het brandend zand dier eeuwige woestijnen,
Zag de aard’ Longinus, smaak, en Grieksche kunst verschijnen;
Gij Handel! wildet dit, gij schepter spraakt, het zij!
En weg was roofgedierte, en Tadmors woestenij. –

     Wat is ’t leven, wat zijn wellust, wat genieten,
Zoo wij dat leven niet in andren overgieten?
Ons niet verdubbelen in na- en nageslacht?
’t Is dan het glindwormlicht, dat wegstuift met de nacht!
Maar waardig nakroost, uit den echten schoot geboren,
Rondom zich heen te zien, zijn toovertaal te hooren,
Is wellust, hemelweelde is onuitspreekbre lust;
Genot deze aard’ te groot, en nimmer uitgeblust!
Dan leven wij nog voort, als onze waardste vrinden,
Ons vruchtloos zoekende, slechts onze graven vinden;
Ons kroost schreit op ons graf, omringd van later kroost!
En wij, wij sluimren in, door dit verschiet getroost.

     Aldus is ook een volk, dat, nuttig voor deze aarde,
Door Handel, Wetenschap en Lettervrucht vergaarde;
Het sterft niet ganschlijk weg, neen, eeuwig leeft zijn naam,
De erkentnis voert hem rond, op vleuglen van de faam;
Dus blijft het menschdom op Karthage, op Tirus brallen,
Schoon nu de jakhals schreeuwt op de omgestormde wallen;
Ook dus, mijn Vaderland! mijn Holland! wordt gij nooit
Vergeten, schoon de tijd de volkeren verstrooit,
De Rijken uitschudt, en vernietigt! onafhanklijk
Van tijden, blijft uw naam, uw luister onverganklijk!
Ja, de eeuwen doelen die de volgende eeuwen mee!
Die naam golft over ’t land, weerkaatst zich van de zee;
Die naam, die godennaam blijft onverdelgbaar leven,
Zoo lang ’t planetenkoor zal om den dagtoorts zweven;
De telg des ethers, schoon in ketenen gekneld,
Blijft Oppervorst der lucht, en Heer van ’t starrenveld!
De Leeuw, in Congo’s woud door ’t zwart geboeft gevangen,
Verlaagt zijn’ Adel nooit, schoon hem de ketens prangen;
Onedel overmand, gevallen in den strik,
Brult hij nog ’t woud bijn, en blijft der dieren schrik;
De Wintergod sla Vrij den Rijn in ijs en boeijen,
Belett’ dien schoonen stroom tot heil des Lands te vloeijen;
Kort is zijn magt, de Rijn schudt ras zijne ijsschors af,
En giet zijne un wer uit, en drilt zijn’ waterstaf!
En ziet wer kiel bij kiel zijn zeegnend nat bevaren;
Daar ’t ijs verfmelt en zinkt, bij ’t ruischen van zijn baren. –

     Had ik woorden! had ik klanken! had ik kracht!
Hoe werd des handels lof door mij in ’t licht gebragt!
Kon ik elk denkbeeld, dat me ontvlamt, door klank bezielen ;
En dossen in ’t gewaad der Dichtkunst! de aard’ zou knielen,
Ontvlammen door mijn’ zang! kon ik, als Oppervorst,
Den rijkdom van de taal vrijbuiten! ’k zou de borst;
Ja, ’k zou de steenen zelfs bezielen door mijn zangen,
En juichend zou ’t Heelal des Handels lof vervangen!

     Zal ik thans melden, hoe ge, o Handel! eerst ontstondt,
En zoeken, d’ aardbol rond, naar uw geboortegrond?
Neen! hooger is uw stam! neen, gij zijt niet geboren
Op aard’! gij, Godheid! vondt uw wieg in reiner koren!
Van daar zijt ge uit uw licht, uw’ gloed op aard gedaald:
Waar is her volk, dat uw geboorte aan ons verhaalt?
Waar, waar is ’t Land, dat zich uw bakermat durft noemen?
Wie heeft u opgekweekt, omkransde uw wieg met bloemen,
Toen gij, den moederschoot ontgleden, aan ’t Heelal
Als God u kennen deedt, hij ’t schaatrend vreugdgeschal?
Neen! geen stervlings schoot heeft u gekweekt, gekoesterd!
Gij! die de aard bevrucht, en ’t mecnschdom kweekt en voestert!

     Gij Godheid kwaamt op aard’! de woeste slaat verdween!
’t Geweld, de bastaardij vloog voor uw’ aanblik heen;
De walm der duisternis, die d’ aardbol had omtogen,
Verdween, een mist gelijk, voor ’t schittren van uwe oogen;
De ploeg doorsneed den grond; de vore bood haar graan.
’t Gediert’ zijn’ bonten dos, ’t gebergt’ zijn erts ons aan;
De landstroom droeg uw hulkje op ’t zilvervlak der golven
Gij boordet heen door ’t Noord, in ijs en nacht bedolven;
En ’t menschelijk gemoed, gelenigd en verzacht,
Gevoelde d’ invloed van uw goddelijke magt.

     De Nijl zag, in de schaduw van naald en piramiden,
Den geur van ’t morgenland aan Thebe en Memphis bieden!
Gij kwaamt, en Tyrus rees, gedost in purpergloed!
Van daar vloogt gij de stad van Dido te gemoet;
Dat dierbaar Holland der aloudheid schoot zijn stralefn
Van Thules ijzig stand tot Mozambiques baren;
En gij, Handelgod! getroffen door haar’ val,
Vloekt Rome, roemt Karthage, en wierookt Hannibal.
’k Dring verder, ja, mijn geest ziet, Nijlstroom! aan uw zoomen,
Naar Alexandria den schat der wereld stroomen;
Ja, Hellas wetenschap, en ’t goud van ’t Iberstrand,
En Ganges wierookgeur, stroomt naar Egypteland.
Wat marmren stad rijst daar? uit plompen en moerassen
Rijst gij, Venedig! en beheerscht de waterplassen.
Nu schenkt ge, Handelgod! den zeilsteen de aard’ ten troost;
Columbus snelt naar ’t West, en Gama naar het Oost.
Thans wilt ge, Handel de aard’ uw mogendheid doen blijken,
En met uw’ schat n volk tot kwistens toe verrijken ;
Een ondeel, naauwlijks land, een klomp van moer en riet,
Naauw zigtbaar, wil uw hand ontscheuren aan het niet.
Wat land zal ’t Delos zijn? waar zullen duizend monden
In jubels, Goden waard’, uw’ lof aan de aard’ verkonden?
Handel vraag ik dit? hoe, antwoordt niet mijn hart?
Gij, Holland! zijt het, ja, de Handel sprak! gij werdt.

     Ja, gij, mijn Vaderland! mij eeuwig, eeuwig dierbaar!
Gij daagdet ’s aardrijks schat vrijmagtig voor uw vierschaar.
Gij spraakt! – het Noord bood u zijn watermonsters aan
Gij kwaamt! – het Oosten zag u Spanjes trots verslaan!
Gij wildet! – en het West gaf u zijn suikerrieten
Gij wenktet! – en het Zuid zag u langs ’t Vuurland schieten!
Elks jubel stroomde u toe, in ’t glorierijk voorheen!
Maar ’k zing uw’ Handel niet, mijn Holland! – neen, ik ween –

     Op, Dichters! op, heft aan! u voegen Godenzangen!
Gij ziet den lauwer, aan den eindpaal opgehangen.
Ontvlamt ons harte door uw’ klank, als echte Bard;
Ik zing min fout dan gij, maar ’k heb een Hollandsch hart
Dat hart smacht naar uw’ zang, wil in et u juichen, weenen,
Wanneer der Vaadren deugd stroomt door uw’ Lofzang henen;
Op, Pindarussen! voert ons op naar hooger’ kring;
Vervult elks boezem met een heilge siddering.
Natuur doet u in ’t boek van haar besluiten lezen:
Meldt ons, hetgeen deze aard’, het menschdom eens zal wezen!
Daagt d’ ongeboren tijd, Dichters! voor uw’ troon;
Zingt dan des Handels lof, op onvergeetbren toon!
Bedrieg ik mij? neen! ’k dring in de wordende eeuwen;
’k Zie Hollands vlag, beschermd door stoute waaterleeuwen,
Wer golven, onverlet, op de onafmeetbre zee,
En aller volken schat ontfschepen aan zijn ree!
De Rotte rigt zich op hij ’t zingen van zijn zwanen;
De Merwe stuurt zijn vlag langs ’t vlak der waterbanen;
De honig van Himettt’ druipt wer uit d’ eikenstam,
En Flevo’s meer werkaatst den lof van Amsterdam.
ja, de Amstelmaagd wordt wer de Koningin der steden,
En zet de kroon zich op, zoo lang in ’t hof vertreden,
En wischt de smetten af van ’t goddelijk gelaat,
En drift haar forsche speer, in ’t purper pleeggewaad
Het vuur herleeft in ’t oog, de rozen op de wangen,
En de aarde zegent haar in grootsche jubelzangen;
Ja, ’t nieuw Karthago rijst! een andre Hannibal
Verheft zich, die die vlag langs d’ aardbol voeren zal.
De Zeegod plant haar vlag op d’ elpenbeenen wagen;
Zijn fiere rossen, in ’t beschuimd gareel geslagen,
Doorsnuiven lucht en wind, en trapplen in het schuim,
En brieschen ’s Amstels lof, fier op dien waterpluim,
Gevolgd van Tritons, en Dolfijnen, en Najaden,
En stroomgodessen die in ’t vloeijend zilver baden!
Ja, de Amstel rigt zich op, de grond veraardt in goud;
Des werelds schat wordt weer zijn haven toevertrouwd!
Waar eertijds ’t voorgeflacht slechts visschers om zag dwalen,
Doorklinkt nu ’t feestmuzijk de hooggewelfde zalen!
Gelijk de Phenix zich herteelt op ’t amber – graf,
Herbaart zich de Amstel ook, en scheurt zich’t rouwklecd af;
Met gouden golven vloeit het IJ den stroomgod tegen;
Zijn haat is ondergang, zijn gunst is heil en zegen,
En de alsemkroes van leed, dien elk thans schreijend drinkt,
Verandert in een’ kolk, die van den Nectar blinkt!
Ja, Amstels waterroem blijft eeuwig onverloren,
En de aarde deelt in ’t heil, mijn vaderstad beschoren.
Driewerf gelukkig hij, die in dien blijden hond,
Omringd van gade en kroost, zich zetelt op uw’ grond.
Gij, mijn geboortestad! Ik zie de schikgodinnen
Voor blijder nageslacht volzalige eeuwen spinnen.
De wetenschap spreekt hier haar hooge oraklen uit;
Hier, hier aan d’ Amstel stemt der dichtrengod zijn luit;
’k zie nieuwe Trompcn zich verheffen, Ruiters leven;
’k Zie ’t heilig voorgeslacht op dunne nevels zweven;
Ja, uit hun hemelvreugd zien zij niet wellust ner
Op ’t land van hun geboorte, en zij herkennen ’t wer.
Ja, vaadren! ja, het zonk! maar ’t zonk slechts oogenblikken;
Ras zal zijn luister weer de starende aard’ verkwikken.
Zoo zwicht ge, Zonnegod! een poos, wanneer de Maan,
De breede schaduw van den aardbol ingegaan,
Een vlugtig oogenblik ons rooft uw gouden glansen;
Maar korte zegepraal! gij schupt van ’s hemels transen
Ras Maan en Sterren weg! zij sluipen haastig voort,
En gij herneemt de plaats, die u alleen behoort,
En de aard’ wordt door uw’ gloed en luister wer beschenen,
En duisternis, en Maan, en Sterren zijn verdwenen.

     Welaan dan, Dichters! op! bezingt dien gouden tijd;
Uw lier zij ’t Vaderland, den Handel toegewijd!
Verhef u, Goden teelt! roep ons terug in ’t leven;
Des Handels lof door u met geestkracht aangeheven!
Ik zink in onmagt weg, maar heb mijn hart voldaan;
Triomf! de Handel leef! breek, gulden eeuw! breek aan!


Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.