JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

JAMES COOK.

LIERZANG.

De zon gaat bloedrood schuil; een schrik beroert de wateren;
   De orkaan barst met gehuil zijn’ zwarten kerker uit;
Vernieling zweeft hem na; de schorre donders klateren;
   De bergen vlugten heen, voor ’t schrikkelijk geluid.
De lucht, de zee vermengt zich warr’lend met elkander; 
De golven bruischen aan, en de een verzwelgt den ander,
   En stort het krakend schip in ’safgronds wilden schoot.
Een stroem van vuur stort uit de ontvlamde wolken neder;
De masten slingeren, als rieten, heen en weder;
   En ’t bleeke scheepsvolk ziet in ieder golf zijn’ dood.
De baren scheuren zich! elk gilt; slechts n blijft moedig!
   Thans stijgt met naar gehuil uit de opgeruide zee
Een vreeslijk spook omhoog! zijn oog staat doods en bloedig,
   En dreigt her magtloos schip met onverduurbaar wee.
’t Gefronste voorhoofd wordt door ’t bliksemlicht beschenen:
Het werpt de ijsbergen, als sneeuwvlokken, om zich henen:
   Het zwaait een’ scepter, die de zee beroert of stilt.
Het zweeft verschriklijk aan; de ontstoken golven stijgen:
Het wenkt! de zee, de lucht, de orkaan , de donders zwijgen;
   En ’t schuimende element erkent zijn magt – en trilt.
Het spreekt! – een nieuwe orkaan is ijlings losgebroken;
   De zee bruischt bij zien stem met feller razernij!
Het spreekt! – „Wie durft mijn magt op d’oceaan befloken?
   De geest der Zuidpool spreekt: vlugt uit mijn heerschappij:
„’k Omheinde niet vergeefs, met onafzienbre rotsen
„Van eeuwig ijs, mijn rijk: hij, die mijn magt durft trotsen,
   „Mijn’ ongerepten vloed door zijne komst bevlekt,
„Verga, verga in ’t bloed ! gij, die mij aan durft randen,
„Vermetel sterfling! vlugt; ’k wacht u aan Sandwichsstranden.
   „Vergeefs, dat ge u mijn wraak , mijn heerschappij onttrekt.”
De geest der Zuidpool zwijgt: maar langs de waterbanen
   Rolt nog zijn donderstem, verkondigt angst en wee!
Hij vaart het schip voorbij omsluijerd met orkanen,
   En stort zich met een rots in d’ afgrond van de zee.
Tot driewerf splijt, met kracht, een bliksemstraal de golven;
Tot driewerf wordt her schip in ’t schuimend nat bedolven;
   En de afgrond werpt het wer tot driewerf naar om hoog.
De wanhoop, de angst en dood zijn in elks oog te lezen:
Elk slaat door schrik versteend: slechts n is zonder vreezen:
   Zijn groote en stoute ziel vertoont zich in zijn oog.
Wie is hij, die alleen dien Watergeest durft trotsen?
   Bij ’t buldren van d’ orkaan, niet voor de orkanen zwicht?
En met zijn ranke kiel door klippen, velden, schotsen
   Van eeuwig ijs, zijn koers onwrikbaar heeft gerigt?
Die, op de oneindigheid der waatren schier verloren,
Een nieuwe wereld, als Columbus, op durft sporen?
   ’t IJs, dat den toegang stuit, als kaf, verstuiven doet?
Natuur dwingt, haar geheim te onsluiren voor zijne oogen?
En, ’t onbetreden rijk der Zuidpool ingetogen,
   Geen vrees, geen siddring kent op d’ ongemeten vloed?
’t Is COOK – Brittannia zwaait, voor het oog der volken,
   Fier op den grooten man, geteeld op haren grond,
Met meerder klem haar’ staf op Nereus woeste kolken:
   Haar wimpel voert zijn’ naam, zijn’ roem de wereld rond.
Vergeefs: waar zij met kracht haar’ drietand ook mag vesten; Aan
Noord- of Zuiderpool, in ’t Oosten of in ’t Westen,
   Zijn naam, zijn roem, zijn deugd is haar vooruit gesneld.
Hij deed de nevelen van d’Oceaan verschijnen;
Zijn wenk deed volken uit het hart der zee verschijnen!
   En als een Watergod zweeft hij op ’t pekelveld.
De wijsbegeerte spreekt: „Een nacht bedekt de polen;
   „Een nieuwe wereld ligt misschien aan ’s aardrijks end,
„Maar woest, maar onbeschaafd, voor ons gezigt verscholen.
   „Snel heen; maak met Euroop’ dat werelddeel bekend.
„Herken, bespied de star der blijde Mingodinne,
„Daar zij, met vlugge vaart, en blakende van minne,
   „Den blonden Zonnegod vermoeid in de armen snelt.
„Dring tot de Zuidpool door; braveer gehuil der winden;
„Tracht door een’ korter’ weg het Oost aan ’t West te binden;
   „En dat des aardbols vorm door u ons kenbaar word’.”
Europa hoort haar stem; de menschlijkheid stort tranen;
   Zij denkt met siddering aan Spanje in vroeger eeuw
Zij ziet de schimmen der vermoorde Amerikanen
   Opdondren uit het graf, met gillend wraakgeschreeuw;
Ziet de aard met bloed bemest; door uitgevaste honden
Geheele volken op Pizarro’s wenk verslonden;
   Gansch Mexico in vlam, en Cuba uitgemoord.
Zij – gilt: „ Barbaren! staakt, laat af meer bloed te zwelgen!
Zal wer uw dorst naar goud een werelddeel verdelgen,
   Dat noch Europes naam noch gruwlen heeft gehoord?
Schrei niet, o menschlijkheid! geen traan besproeije uw wangen!
   Daar zweeft hij aan, die, vol van uw geheiligd beeld,
Schoon hij in lagen stand het daglicht heeft ontvangen,
   Zijn’ roem, zijn’ adel door zijn deugden heeft geteeld!
Daar komt hij! zijn gezigt schiet flonkerende stralen!
Hij schijnt op d’ Oceaan alreeds te zegepralen,
   Het bruischend element te teuglen met zijn hand.
Hij ziet het krijtgebergt’ reeds achter zich verdwijnen,
Maar vr zich in een wolk de onsterflijkheid verschijnen:
   De roem bekranst zijn hoofd, als de eer van ’t Vaderland.
Die Genius bezield en spoort hem aan! zijn krachten
   Verdubblen zich; hij zweeft den stomnen in ’t gezigt:
Gelijk der vooglen Vorst, op onbezweken schachten,
   Zijn’ onnaspeurbren togt door ’t ruim des hemels rigt,
Door donderwolken boort, daar moedig am durft halen,
De aard voor zich vlugten ziet, den gloed van Febus stralen
   Braveert, en aan zijn zij’ door d’ether rustig rent,
Dan uit die zoo van vuur wer zweeft naar lager perken,
Vol onuitputbre kracht, met klapperende vlerken,
   Op rots of Stranden daalt, voor dezen onbezocht.
Zoo zweeft, zoo zwerft ook Cook, op de eeuwig woeste baren,
   Hij komt; geen steile muur van glinstrend diamant
Werhoudt zijn’ togt; hij durft door deze rotsen varen:
   Die vlottende Alpen zijn nier voor zijn kracht bestand. – 
De Zuidpool, om haar rijk aan zijn gezigt te onttrekken,
Moet met een’ dikken nacht en nevel zich bedekken:
   Hij, die meer Zuidwaarts drong, dan iemand had bestaan,
Roept thans Europa toe: „Laat af,  Stervelingen!
„Het noodlot weigert u hier verder door te dringen:
   „Geen vijfde werelddeel beslaat op d’ Oceaan. – 
Toen Newton zich verhief, Europa’s aandacht wekte,
   Descartes vindingen te rug stortte in heur’ nacht,
En ’t eerst de aantrekkings – en verwijdringskracht ontdekte
   En orde en schoonheid in ons zonnestelsel bragt;
Deed hij, gelijk een God, langs vastgeflelde palen,
De waereldbollen, op zijn’ wenk, door ’t ijdel dwalen,
   En wees aan elk zijn’ loop, zijn grootheid, orde en stand.
Zoo zien de eilanden thans, door Cook Euroop’ gegeven,
Door hem zich orde stand en grootheid voorgeschreven;
   Columbus waerelddeel klemt hij aan ’t vaste Land.
Ik voel uw tooverkracht, uw goddelijk verrnogen,
   Verbeelding! ja, ik volg; mijn geest neemt stouter vaart – 
Waar ben ik? is Euroop’ reeds mijn gezicht onttogen? – 
   Zweef ik met d’Adelaar of Cook naar ’t eind der aard? – 
Wat woest gewest! ’k hoor in de Orkaan de golven klotsen.
 Kerkers van den storm, ’k treed siddrend op uw rotsen.
   Natuur is dood, is woest, verschrikklijk en misvormd:
De mensch, beneden ’t peil der menschlijkheid verzonken,
Stort op zijn’ medemensch uit name moordspelonken,
   En volgt her tijgerras, door honger aangestormd.
Daar rijst een jeugdig Land, naauw zigtbaar, uit de golven,
   Moerassig, wild, de lucht door vuilen damp verpest: – 
Ginds ligt een werelddeel in sneeuw en ijs bedolven,
   Waar op de Wintergod zijn’ woesten zetel vest.
Geen enkle bloem ontsloot zijn knopje ooit aan dees streken;
Geen menschelijke stem wergalmde ooit in dees streken;
   Nooit schreeuwde een raaf of gier dit schriklijk eiland rond:
Verbeelding, voer mij weg, ontscheur mij aan dees stranden! – 
Gij hoort mij ; ’k snel met Cook naar meer gewenschte landen;
   Mijn borst haalt ruimer am,  Tanna, op uw’ grond.
U groet ik, zalig oord! Cook voert mij in uw dalen,
    Paradijs der aard, verblijf van vrede en rust!
Hoe zuiver is uw lucht, hoe helder Febus stralen!
   Hoe wappert en verkwikt elk kooltje me aan uw kust!
Hier dartlen op uw’ grond de jonge maagdenreijen,
Slechts door natuur gekleed, in welige valleijen,
   Of sluimren aan de beek, die door het boschje stroomt.
De Horen * heerschen hier in altoos groene dreven;
Elk boschje wasemt vreugd, en wellust, kracht en leven;
   De zuivre tortel kirt in ’t hooggetopt geboomt’.
Het ongeploegde land schenkt welig Ceres schatten;
   Waar, naast de vruchtbre olijf, de bruine vijg ontspruit,
De zilvren visschen blij langs bloemrijke oevers spatten,
   En de echo’s luisteren naar de opgeheven uit.
De broodboom steekt zijn kruin hier moedig uit de waatren,
En hoort aan zijnen voet de blijde landjeugd schaatren:
   Geen beer begromt het vee, dat ’s avonds stulpwaarts snelt;
Geen adder blaast in ’t gras; geen hevige onwerbuijen
Bestoken dezen grond; het drooge amechtig zuijen
   Roost nooit hot hijgend vee in ’t klaverrijke veld.
Hier heerscht Saturnus eeuw, het droeve Europe ontweken;
   Astra siert zich hier met eeuwig frisch gebloemt’:
’k Verlaat met smart uw’ grond, verrukkelijke streken,
   In blijder eeuw ontdekt, en Amsteldam genoemd! – 
Ja, Amstel! daar herreest ge uit Nereus wilde kolken:
Maar toen waart gij de roem, de steun of schrik der volken;
   Toen blonk de scheepskroon nog onkwetsbaar op uw hoofd:
Thans drukt de smart haar merk op de ingegroefde wangen;
Als een geknakte bloem, laat gij het hoofd nu hangen,
   Verdrukt , verlamd, misvormd , van moed en kracht beroofd.
Uw stedekroon is weg; de wandlaar zal u zoeken
   Maar vinden U niet meer, zoo als gij eertijds waart.
Zoo snelt een echtgenoot van ’s aardrijks verste hoeken,
   De morgenzon voorbij, naar d’ ouderlijken haard.
Hij komt, hij zoekt zijn ga’ – vergeefs! op gindsche heiden
Ziet hij een Lijkcipres zijn vale blaadren spreiden!
   Dr, dr wacht hem zijn gade, in ’t stil verblijf des doods!
Zijn vaderlijke hut ligt in het stof vertreden,
Zijn vrienden zijn niet moor! met sidderende schreden
   Schreit, onbekend, zijn kroost hem aan, om luttel broods.
Vlugt, schriklijk denkbeeld, vlugt! ’k volg Cook, naar Sandwich stranden!
   ’k Zweef op de oneindigheid der waatren met hem voort:
Hij slaat geen werloos volk in Europeesche banden,
   Noch plant den kruisstandaard bij roof en bloed en moord.
Triptolemus van ’t Zuid, schenkt hij haar Ceres schatten:
Nieuw Zeeland ziet voor ’t eerst het graan uit halmen spatten!
   De kunsten van Euroop’ voert hij naar ’t eind der aard’.
Roem, Argos! roem niet meer op uwe waterhelden,
Die Colchis gulden vlies den Griek in handen stelden:
   Zij zijn door roof en moord – Cook is door deugd vermaard. 
Wat woest, wat naar gehuil klinkt dondrend in mijne ooren!
   Vlugt Cook! ontscheur u ’t Land, daar u de moorddolk wacht!
Vergeefs dreeft gij bier ’t eerst het kouter door de voren;
   Vergeefs hebt gij hier ’t ros, het runddier aangebragt;
Vergeefs zaagt gij uw hoofd door Mayors zelv’ geheiligd;
Vergeefs heeft u Neptuun op d’Oceaan beveiligd:
   Helaas! war baat u thans, dot gij door rotsen boort?
Tot driewerf, met de zon, den aardbol om durft streven?
Gij boet de gruwlen, door de Cortessen bedreven;
   De vriend van ’t menschdom wordt door wilden wreed vermoord.
Ik hoor het woest getier, ja ’k zie hen zamenhorten;
   Elk zwaait zijn legerknods! laat af; ’t is Cook, houdt stand:
Vergeefs; ’k zie hem bedwelmd aan d’oever nederstorten;
   Hij rigt zich op, stort wer, en sneeft, aan Sandwichs strand.
Hij sterft verr’ van het Land, wiens luister hij vergrootte,
Verr’ van zijn jeugdig kroost en minnende echtgenoote;
   Geen hand vol vreedzame aard bedekt zijn kil gebeent’.
Zoo zaagt go,  Spanje! eertijds, aan woeste ongastvrije oorden,
Door een verwoede horde uw’ Magellaan vermoorden,
   Toen hij het Oost en West had door zijn Straat vereend.
Cook sterft! Europa schreit, en met haar alle volken;
   Neptunus werpt zijn’ staf uit zijn gevreesde hand.
Een nare rouwgalm stijgt weemoedig tot de wolken,
   Van Ulita’s grond tot aan het Noordsche strand. –
Wanneer der Kunsten rei, Europa’s grond ontweken,
Haar’ zetel stichten zal,  Sandwich! aan uw beken,
   Rijz’ door een Zuil, waar op her nakroost lezen zal:
„Hier sneefde Cook, die ’t eerst den Landbouw ons ontdekte,
„Het schuldloos offer van der Vaadren drift verstrekte;
   „Zijn lijk behoort aan ons, zijn deugd en roem ’t heelal. 

Aantekeningen:

De Jaargetijden.
De Vrienden-Eilanden, door Tasman ontdekt in 1642.

Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.