JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

LOFZANG

OP

JEZUS VAN NAZARETH

Geen laffe beuzeltaal, geen dweepende outerzang,
Geen kruipend slavenlied, gewoekerd door ’t belang,
Mag langer d’ adeldom der Pozij verlagen;
Hij kent haar Godheid niet, die ’t juk haar wil doen dragen;
Die haar, zij Rijksvorstin, ja Schepster! in den band
Wil kneevlen, als een’ slaaf aan Mozambiques strand;
Die haar de kroon ontrukt, ontheiligd; die, verbasterd
Beneden ’t woudgebroed, haar hoog – haar Godheid lastert:
Neen – onwerstaanbaar, sterk, als Niagara’s val,
Neen, – onverdelbaar, als de sferen, die ’t heelal
Bevolken; louter, rein, als de zonnestralen,
En acht, als ’t wichtje, waarop de ouderoogen dalen
Blijft zij, Reeds ongeschokt, des aardrijks Leermeestres,
Uw Regtster, Volken! en Monarchen! uw Godes.

     Welaan! baar Godheid dan gehuldigd; stout gesproken;
Het offer haar gebragt; het reukwerk haar ontstoken!
De fiere Dichter, die de waarheid voor zich ziet,
Spreekt hare oraklen uit, ’t zij de aard’ hem hoort, of niet.

     Weg met den Bard, die laf haar’ adel durft ontluisteren.
Haar Godlijkheid miskent slechts stamelend durft fluisteren?
Die ’t onverjaarbaar regt, dat hem zijn Rede geeft,
Gelijk een laat verwerpt, voor eigen schaduw beeft!
Ja, laat een dweeper vrij de zelfgesmede keten
Zich strenglen om den hals, en onder ’t zieljuk zweeten,
En als ’t lastdragend dier zich wentlen in zijn draf;
De vrijheid van mijn’ geest sta ’k zelf aan God niet af.

     Welaan dan, Zangeres! stoutmoedig opgevaren!
Voor Jezus klinkt mijn lier! bezielt u, doffe snaren!

     Gij! op wien mijn geest, verrukt, bewondrend staart;
Gij, groote Leeraar van de volkeren der aard’!
U, Jezus! rijst mijn lied! U stroomen thans mijn zangen!
Maar waar, waar vind ik kracht, de Hymnen aan te vangen?
Ik zink, verpletterd door uw grootheid, in het stof;
’k Zoek woorden, ’k vind ze niet, in ’t staamlen van uw’ lof.
Hij was, hij is er niet, hij zal er nimmer wezen,
De Dichter, uit wiens borst de Lofzang is gerezen,
De Lofzang, uwer waard’; wie maalt den zonnestraal,
Den gloed van ’t eeuwig licht ons af, in doodsche taal?
Vergeefs! het is vergeefs! – ik blijf hier zwijgend knielen! –
Maar kon ik, met de kracht eens Gods, mijn’ zang bezielen;
Hoe zou ik dan ’t gevoel, dat in mijn’ boezem gloeit,
Den stroom van dankbaarheid, die door mijne aadren vloeit;
En heel mijn aanzijn schokt, in verzen uit doen vlieten,
En in mijn eigen hart het loon mijns zangs genieten!
Maar ’k moet me ontlasten – ja, schoon ik mijne onmagt ken,
’t Gevoel, het diep gevoel, van ’t geen ik schuldig ben.
Uw zacht – uw reinheid, deugd, uw wandel, leer en lijden,
Doet, Godlijke! u mijn’ Zang, in dankbre aanbidding, wijden!
En zoo ge uit hooger sfeer een oog op de aard’ kunt slaan,
Ziet gij mijne onmagt, duidt ze, en neemt mijne offers aan. –

     Waar zaagt ge, Jezus! ’t licht? wat schoot heeft u geboren?
Waar mogt gij ’t eerst de stem der terste moeder hooren?
Waar heeft die zalige u, verloren in den lust,
Getroeteld aan haar hart, gekust, en weer herkust?
Daar zij, geschokt, bedwelmd, in kindermin verzonken,
Van wellust schreide en dankte, om ’t wichtje aan haar geschonken;
Waar deed uw eerste lachje, uw staamlen, wagglend gaan
Een’ hemelwellust in haar moederhart ontstaan?
Zijt ge aan den Tiber, aan Pamisus vloed geboren?
Kweekte u de wijsheid daar in Pallas tempelkoren?
Heeft vorstlijk purper, rijk van paarlen, u omkleed,
Toen ge aan den moederschoot, tot heil der aarde, ontgleedt?
Neen! ’t was bij ’t woeste volk, een’ vloek, een’ spot der aarde,
Dat U Maria, in een toefplaats, armlijk baarde;
Een Karavanserij zag ’t eerst uw minlijk oog,
Bij last- en runderdier, zich heffen naar omhoog;
Uw jeugd heeft nooit gekend die schittrende vermaken,
Die rang, die overvloed, hunn’ lieveling doen smaken;
Maar wvat is rijkdom, schat, vermaken, rang en pracht,
Bij de overdierbre gift, door U ons aangebragt?
Wat is het? – nietig rag, waaraan de zinnen hangen!
Te groot waart ge, om uw’ glans uit andre hand te ontvangen!
Uw eigen Schepper zijt ge, en als de bron van ’t licht,
Zijt ge alles aan U zelf, aan eigen hart verpligt.

     Vast lag het menschdom aan de zinlijkheid geklonken,
En tot den dierenstaat verachtlijk nergezonken!
De reinheid van het hart was weg, de zeedloosheid
Had zich, als onkruid op den akker, uitgebreid,
En groeide welig op, en deed de boezems blaken;
De wijsbegeerte sprak vergeefs in Pallas daken!
’t Geloof aan toekomst, God, aan loon en straf verdween!
Ja, Jupiter was zelfs bespotlijk aan ’t gemeen;
Der volken eerdienst had zijne achtbaarheid verloren;
’t Was nacht ! – Gij, Jezus! kwaamt, het daglicht was herboren. –

     Waar, waar is hij, die dien goddelijken strijd
Mij afmaalt, waaraan ge U, Jezus! hebt gewijd? –
Wien smeek ik thans om hulp, dat hij mijn’ geest bezwanger?
Had ik uwe almagt, vuur en geestkracht, Isrels zanger!
Daar gij aan Horebs voet, zijn kruin omwolkt met nacht,
Den Lofzang aanstemde, en Jehovah ’t wierook bragt,
Toen de opgestoven zee des Nijlstrooms heer vernielde,
En ’t volk aan ’t lillend strand in dankbre aanbidding knielde;

     Had mijn Zangster thans uw’ vuurgloed, Jesses spruit!
Wiens klank de heuvelen deed hupplen op uw luit,
Als lamren springen zaagt, die de Idumeesche palmen
Deedt ruischen op den toon der godgewijde psalmen;
Kon ik u volgen op uw luchtspoor, Gij wiens kracht
De trotsche morgenstar in ’s afgronds jammernacht
Hebt nergebliksemd, daar de schimmen voor hem gruwden,
En hoongelach en spot op ’t magtloos monster spuwden;
Hoe zou ik zingen, hoe den wierook van ’t Heelal
Vereenen met dan galm van ’t dankbaar lofgeschal! –

     ’k Zie, Jezus! U den strijd, den heilgen strijd beginnen;
Gij vest uw gloeijend oog op Salems tempeltinnen;
Gij, in uw’ lentetijd aan Memphis vruchtbren gloed,
In al de wijsheid van Egypten opgevoed,
Maar bovenal, geleerd, veredeld door U zelven,
Besluit de reiniging der Joodsche kerkgewelven;
Der Joden God was in uwe oogen veel te kleen,
De Oneindige was niet de volksgod der Hebren!
Die Abrams kroost alleen doet in zijn gunsten baden,
En ’t ovrig deel der aard’ heeft met zijn’ vloek beladen!
Die wreed, wraakzuchtig, de aarde in heeten toorn vervloekt,
Der vaadren misdaad aan onschuldig kroost bezoekt!
Den Kananiet verdelgt, in vuur en vlam doet smoren,
Om Jacobs nageslacht, voor allen uitverkoren!
Dit was uw Godheid niet, Jezus! neen, uw hart,
Zoo rein als ’t zonlicht, als de dauwdrop, zag met smart
Uw Landgenooten in den ijzren band geklonken,
Der Saduseeuwen schaar in ’t ongeloof verzonken,
En ’t Phariseeuwsch gebroed, met huichlend kerkgebaar,
Voor eigen deugd de vlam ontsleken op ’t altaar!
Ja, ’t schaamtloos Godendom der Grieksche- en Roomsche steden,
Beneden ’t dier verlaagd, de menschlijkheid vertreden;
Toen ontvlamde uw ziel met goddelijke kracht,
Toen hebt gij geweend om ’t menschelijk geslacht!
Toen wildet gij voor God, voor deugd, uw leven wagen,
Der zinlijkheid haar roof, der lost haar prooi ontdragen;
Ja, Jezus heeft geschreid, geweend hij ’t diep verval;
Maar ’t is geen tranenvloed, die ’t menschdom redden zal:
Neen! ’t harnas aangegord, ’t panzier van pligt en reden,
En, sterk door deugd en God, de hel op ’t hart getreden.

     Maar eer thans Jezus in het worstelperk zal tren,
Wil hij in de eenzaamheid dr, met zich zelf alleen,
Zijn goddelijk ontwerp bepeinzen, daar vergaderen
Die kalmte, kracht en moed, waar me hij ’t volk zal naderen;
Daar beelden scheppen, die aandoenlijk, zacht en ter,
Het menschdom boeijen aan zijn hartverhefbre leer!
Daar hooger wereld zich ontsluiten, Idealen
Zich vormen, om de deugd verzinlijkt af te malen.

     In ’t oord, waar ’t hondgestarnt’ de alvoedende natuur
Verschroeit, verstikt, versteent, door zijn verdelgend vuur;
Waar ’t gloeijend zand, met kracht tot golven opgedreven,
De karavanen in n oogcnblik doet sneven,
Of worstlend giert en stuift, als wolken, door de lucht;
Waar de adem van den wind met vuurstof is bevrucht;
Waar nooit een reiziger een’ palmboom zal ontdekken,
Om ’t uitgeblakerd lijf in koele schaduw te dekken;
Vergeefs naar laafnis smacht voor de opgezwollen tong,
En stervend fort in ’t zand, met uitgezette long;
Waar ’t dorstend oog vergeefs een bron tracht op te sporen,
Vergeefs naar ’t beekjen smacht, in kloof en rots verloren;
Waar de opgespletene aard’, nooit door den wind verkoeld,
Geen’ zagten regen drinkt, geen’ malschen dauw gevoelt:
In dat verzengd gewest, waar, sints onheugbre dagen,
Geen zwervend Arabier zijn tent heeft opgeslagen,
Geen telg van Ismal, van kemels vergezeld,
Langs ’t onafzienbaar vlak van ’t dorgeroosterd veld,
Den reiziger bespringt, of gastvrij hem den beker
Met gulle handen biedt, voor moord- en rooflust zeker:
Dr in dat oord verheft zich Jezus tot zijn’ God!
Bedenkt, bepeinst, befluit, – kent en verwacht zijn lot. –

     Hij komt! – ja Jezus komt den heugen kamp te strijden.
Hij, martelaar der deugd, zal zich der menschheid wijen.
Spreidt, Sarons rozen! spreidt uw geuren in het rond;
Juich, Carmel! Libanon! ontspringt aan uwen grond,
Cedren! Palmen, ruischt! Laat de outervlammcn blaken,
Tempel! ja een God, een Godheid zal genaken.
Stort, bergen! dalen, rijst! kleedt u in lentedos,
Geheiligde eiken! die het Idumeesche bosch
Onlommert; praal, zon! vlugt, onwerswolken! henen:
Een wijze, een liefling Gods is op deze aard’ verschenen!
Slecht, wegen! slecht u voor den Leeraar! Maagdenschaar
Van Salem, offer hem met dankbaar feestgebaar
Het reukwerk! Gij Jordaan! verkond met lieflijk suizen
Zijne aankomst, heilge stad! laat, laat den Lofzang ruischen,
En davren door het bosch, dat om uw wallen sluit;
Ontscheur u, Salem! aan uw vesten; snelt, snelt uit,
Burgers! Priesterschaar! verlaat uw tempelbogen:
Hij komt! ja Jezus komt, als Godheid uit den hoogen.

     Ja, Jezus nadert tot Jerusalem! hij zal
Den strijd beginnen, in het aanzien van t’heelal
Het menschdom redden! ja, de bijl ligt aan den wortel
Des booms! hij velt hem ner, verplettert hem tot mortel;
Hij zal zijn sterke zeis in ’t groeijend onkruid slaan!
Hij heft zijn wan omhoog! hij scheidt het kaf van ’t graan!
Doorzuivert, reinigt ras zijn’ dorsvloer, rukt den heester
Van uit zijn’ akker, spreekt, beveelt, beslist als meester. –
Vergeefs dat hem de hel van alle zij’ begrimt,
Het Pharizeeuwsch gebroed hem lastert, hem beschimt,
De dood hem aanbast, hem, met bliksemschietende oogen,
Hier Golgotha doet zien, met donders overtogen;
Hij slaat, hij wankelt niet; het oog op God gerigt,
Ziet hij, hij Godsgezant! zijn roeping, kent zijn’ pligt.

     Zoo er geesten zijn, die door den luchtstroom zweven,
Uit zonnevonken, uit eene etherstof geweven,
Die deelen in het lot van ’t menschdom, aan het volk.
Nooit zigtbaar, weemlend op een dunne purperwolk,
Doch wier nabijheid, wier bezieling, wier vermogen,
De wijze in ’t hart gevoelt, bij ’t worstlen met de logen;
Gewis, dan zagen zij, van uit hun reine sfeer,
Nooit met meer wellust op het lijdend menschdomn ner,
Dan nu, daar Jezus spreekt, dan nu, daar duizendtallen
Door de almagt van zijn taal voor hem op ’t aanzigt vallen.

     Ook ik, ik dring mij in dien zaamgevloeiden kring!
Ja ’k ben in Davids stad! ik volg Gods lieveling!
’k Wil hem aanschouwen, ’k wil zijn taal, zijn lessen hooren
Die taal, zoo zuiver, als ’t muzijk der hemelkoren,
Die leer, vol eenvoud, zoo beminlijk, ter en zacht,
Als ’t wichtje, dat aan ’t hart der blijde moeder lacht,
Daar de armtjes uitstrekt naar den voedingrijken boezem,
Die leer, zoo zuiver, als de jonge lentebloesem,
Doch voor den booswicht zoo verplettrend, als de knal
Des donders, brullende door ’t sidderend heelal.

     Ja, daar staat Jezus! ja, ik zie Hem! ’k hoor hem spreken!
Een zondares ligt aan zijn’ voet in ’t stof bezweken:
Zij waagt het niet, het oog tot Jezus op te slaan;
Dat oog, waar in ’t berouw zich spiegelt in een’ traan.
’t Geboeft’ der priestren vloekt, bespot haar boezem – smarten!
De hooge Godsheld spreekt, (zijn blik doorzier de harten):
„Wie zonder zonden is, werpe op haar d’eersten steen !”
En tot de vrouwe spreekt de Gods – gezant: „Ga heen,
„’t Berouw delgt uit uw schuld, ga, zondig slechts niet weder;”
En sprakeloos van dank stort ze aan zijn voeten neder. –

     Gij! die vader zijt, die d’ onvernielbren gloed
Der heilge kindermin voelt vlammen in ’t gemoed;
Die roem en rang en schat, wat zeg ik? bloed en leven
En heil en zaligheid met wellust op zoudt geven
Voor ’t afgematte kroost! die in de martelvlam
Zoudt juichen, zoo uw zoon slechts aan den moord ontkwam!
Komt vaders! moeders volgt! laat hier uw tranen stroomen
Van dank! ziet uw kroost aan Jezus voeten komen!
Want in de kindren, die hier dartlen aan zijn knin,
Kunt gij, kan ik, kan elk zijne eigen kindren zien;
Hoort Jezus woorden: „Breng die kindren tot mij nader,
„Want hunner is het rijk, het erfdeel van mijn’ vader.”
Dus spreekt hij: wat hart is zoo verstokt, versteend,
Dat hier niet, nevens mij, in dankbre aanbidding weent?

     Jezus! had ik ’t licht in Salems muur ontvangen,
Hoe zou ’k u volgen, aan uw’ mond, uw knien hangen!
U als een schaduw vergezellen, dag en nacht,
Uw leer herdenken, zoo vol goddelijke kracht;
Ik ware uw jonger, ja! maar ’k zou niet schandlijk vlugten!
U niet verloochenen! geen’ vloek eens priesters duchten!
’k Had met Maria naar de strafplaats U verzeld;
Neen! ik had mij fier aan uwe zij’ gesteld,
’k had openlijk uw deugd doen dondren in elks ooren,
En sneuvelde ik, wat nood? mijn dood was niet verloren.

     Ik zie, ik hoor U, daar ge, aan de oevers der Jordaan
Gezeten, ’t luistrend volk uw lessen doet verstaan:
Wat wolk van zielen zie ik aan uw’ voet vergaderen!
Geen zucht, geen windje zweeft hier door de palmenbladeren:
De heilige Jordaan bedwingt zijn golfgeklots;
Geen vogel lispelt door het loof van ’t lauwerbosch;
’t Is alles eerbied, stilte en aandacht; zie de scharen,
Met mij, Jezus! op uw godlijk aanzigt scharen:
Hoe verheldert, hoe verhemelt uw gezigt!
Ge ontvoert mijn’ geest aan ’t slijk der aarde, voert me in ’t licht
Der godheid; lessen, nooit gedacht, hoor ik uw lippen,
Met d’ ernst en klem eens Gods, tot heil der aarde ontglippen.
Welzalig hij, die U mag hooren, aan uw’ voet
Gezeten, daar zijn’ geest met hemelspijzen voedt!
Die aan uw’ boezem, tot uw’ liefling uitverkoren,
Daar, met Joannes, naar uw hemeltaal mag hooren!
Waar sprak ooit wijsgeer zoo verheven, met die kracht?
De sleutels van de ziel, ons hart, hebt ge in uw magt;
Nu leidt gij ’t, als een beek, langs stille en zachte boorden,
Dan scheurt gij’t golvend voort door de almagt van uw woorden:
De wijsbegeerte, van den hemel afgedaald,
Hebt gij verzinlijkt, ons in beeld bij beeld gemaaid.
Wr zal ik, Eenling! wr zal ik U weerga vinden?
Ik stort me in ’t grijs voorheen, op vleugelen der winden
Zwccf ik om d’ aardbol! ja, ik baad me in Ganges vliet,
’k Snel China, Thbeth door, ik vind U werga niet.
Heeft immer Zerdust hij den Pers dat licht ontstoken?
Ooit Plato in Atheen’ niet zulk een klein gesproken?
Ja, zoo de zeedlijkheid in ’t menschelijke hart,
Het rein besef van pligt miskend, vernietigd werd,
En slechts uw les, aan ’t volk op Horebs berg gegeven,
Aan ’t menschdom in die ramp alln waar’ bijgebleven;
Dan was nog alles niet onredbaar, en voor de aard’
Bleef in die les en pligt en zeedlijkheid bewaard.

     Wie doet ooit Jezus regt? hoe zwak zijn alle zangen!
Schiet, Eeuwen! die nog niet het aanzijn hebt ontvangen,
Nog in den moederschoot der duistre toekomst rust;
Schiet, Volkeren, nog van uw wording onbewust!
Schiet in aanzijn! – Wordt: – Vervangt mijn kruipend zingen. –

     Ja! ’k zie de Volkeren, ’k zie de Eeuwen zich ontwringen
Aan ’t niet, voor n altaar vereenigt zich ’t heelal,
En Jezus naam wergalmt met dankbaar lofgeschal.
n leer, het is de leer van Jezus! heeft de landen
Vereenigd, tot aan ’t ijs der verste zuiderlanden.
Maar ’t is geenszins die leer, die zestien eeuwen de aard’
Heeft afgeweid, verteerd, verwoest door vuur en zwaard:
’t Is niet die basterd. leer, die, honend’ ’s menschen reden,
De vrijheid van den geest durft op den gorgcl treden,
En met gewetens-dwang, verraad en list en moord,
In stroomen, zeen bloeds het menschdom heeft versmoord;
Met ketens, strop, en bijl, en vlam, en staak, en raderen,
’t Onschuldig volk verworgde, en ’t bloed elk tapte uit de aderen
En, als zij duizenden het staal in ’t harte wrong,
Een danklied, bij ’t schavot, ter eer van Jezus zong;
En ’t pas geboren wichtje in laaije vlammen smakte,
De moeder smeet op ’t hart, daar ze in den doodsnik snakte;
Waarom? om dat haar hart een twijfling had gevoed,
Of immer wijn zich kon veranderen in bloed:
’t Is niet die gruwelleer, met al haar folteringen;
Neen, neen, ’t is Jezus leer! – niet zijner volgelingen:
’t Is rein, en louter goud uit ’s aardrijks rijken schoot!
’t Is de echte parel, van de ruwe schelp ontbloot!

     Die goddelijke leer, in ’t menschlijk hart gedreven,
Door U, Jezus! ons verzinlijkt door uw leven,
Verspreidt zich, breidt zich uit, schiet als een ceder op,
Die ’t afgezwoegde hart belommert met zijn’ top;
Zij is gezuiverd van het slijk der priesterscharen,
En geen verborgenhen omneevlen haar altaren;
Ja, de ongerijmde draf, waarme zij was omzet,
Schudt ze af, haar schoon gewaad is heilig, onbesmet;
De rede voert haar in der Oosterlingen tempel;
De wijsbegeerte ontvangt haar op den achtbren drempel;
En de aard’, verbroederd door die zegenrijke leer,
Knielt voor n Godheid, in ’t geloof aan Jezus, ner.

     Jezus godsdienst is behoefte voor ons harte!
Een dwingland wring’ me een’ dolk in ’t zwoegend vaderharte,
Verdelg’ mijn dierbre g, vermoord’ mijn schuldloos kroost;
Uw godsdienst, Jezus! geeft mijn’ boezem kalmte en troost:
’t Geloof, ’t geloof aan God, hebt ge in mijn ziel gedreven;
’k Hervind mijn gade en kroost eens wer in hooger leven;
Ja, ’k waar’ verbrijzeld door den storm, die om mij woedt,
Zoo Jezus godsdienst mij geen verkracht gaf en moed.
Ik zie een Hecla op mijn g zijn lava braken,
De zee verzwelgt mijn’ zoon in de opgesparde kaken;
En ik, ik wring mij niet een’ dolk in ’t vaderhart? –
’k Stort me in den vuurkolk niet, vol duldelooze smart? –
Neen, Jezus ! neen, uw leer werhoudt mijn’ voet en handen,
Schoon zeen bruischen, en Vefuviussen branden! –
In d’ afgrond van de smart, die mij de ziel doorknaagt,
Schenkt gij mijn hart een’ steun, die me opbeurt, onderschraagt,
Mij van vertwijfling redt, schoon de elementen beven;
Dit is ’t geloof aan God, de hoop op hooger leven;
Ja, Hij, die zonnen ziet verstuiven uit haar baan,
En nieuwe zonnen doet uit fonklend gruis ontstaan,
Ziet op mijne oudren, gade en kroost, en mij ook neder;
En stervcn zij, God! de dood vereent ons weder.

     Dit geloof, dat in geen zee, geen’ vuurkolk zwicht,
Ben, Jezus! ik uw leer, uw reine leer verpligt.

     Gij! die ’t licht zijt, en de waarheid en het leven,
In wien geen vlek ooit is gevonden, die verheven
In ’t rijk der geesten, thans het loon der deugd geniet,
Stort uw geestkracht in mijn’ boezem! sterk mijn lied!
Jezus! aan uw zij’ wil ik het land doorwandelen!
Weldoende trekt gij voort, ik zie u spreken, handelen!
Gij spreekt! en ieder woord is mij orakeltaal!
Gij handelt! en ’k verstom! weg met het weidsch verhaal
Van Vorstengrootheid, van hunn’ heldenmoed en daden,
Gewonnen slagen, en geroofde lauwerbladen!
Neen! Jezus is een held van ’t menschdom; waar hij treedt,
Daagt wijsheid, kalmte en troost, verdwijnt geweld en leed.
De moeder dankt aan hem haar’ eenigen geboren!
De vader hem zijn’ zoon, in ’t zondennet verloren!
De maagd aan hem ’t geluk! de vrouw herkregen deugd!
De jongling hem zijn hart, zijn verkracht, moed en vreugd!

     De ontelbre zonnen, die in melk- bij melkweg fonkelen,
De onzigtbre insecten, die door ’t olmenblad zich kronkelen,
Zijn voor den wijsgeer vrij ’t bewijs van Gods bestaan;
Voor mij! ’k zie Jezus deugd, en ’k bid de Godheid aan ! –

     Diepmiskende leer van Jezus! hoe verheven,
Hoe krachtig werkt ge op ’t hart, in dit en ’t volgend leven!
Gij kent geen stellingen, kent geen geheimenis!
„Zijt, sterfling! zijt volmaakt, gelijk de Godheid is!
„Bemin uw God, uw land, uw’ naasten als u zelven!”
Zoo klonk eens Jezus taal, door Joodschc kerkgewelven!

     Waar is de Dichter, die niet wegzinkt in zijn niet,
Als hij den Godsgezant zijn vloekhout torschcn ziet!
Daar ’t zweet en bloed hem gudst langs halfverscheurde leden,
En hij ter nederstort met waggelende schreden;
Daar ’t Joodsch geboefte op hem zijn’ spot en laster spuwt,
En bij zijn’ aanblik, als een’ vloek van ’t menschdom, gruwt!
Gij wist dit, Jezus! ja, uw hartverscheurend lijden
Voorzaagt gij, toen gij u den marteldood gingt wijden:

     Maar wat is leven, dood, wat martling, vloek en spot,
In ’t oog van hem, die denkt aan de eeuwigheid en God?
Die zich bestemt voelt om het rijk van God te stichten?
Wiens borst de vlam bevat, die ’t menschdom zal verlichten?
Ja! duizend pijnen, duizend dooden, al de magt
Der hel bezwijkt, stort ner, voor de albezielbre kracht
Der deugd, der Godlijkheid! en moet de Godsheld sneven;
Wel nu! wat is de dood? wat is dit nietig leven? –

     Martelaar der deugd! ik volg, naar Golgotha,
U, met Maria, met Joannes, snikkend na!
Hoe verdwijnen, hoe verzinken al de helden,
Door de eeuwen gelauwrierd op bloedige oorlogsvelden,
Bij u, Jezus! ja, het vloekhout klemme uw len,
Mij is ’t uw glorietroon! ’k verstom, aanbid en ween.
’k Zie ’t grijnzend worstlen van de hel hier met haar snoodheid;
’k Zie Jezus kalmte en rust, en goddelijke grootheid!
Komt, volgelingen van de reinste leer der aard’
Komt, allen nevens mij, om Jezus kruis geschaard!
Maar stort geen’ tranenvloed, hier voegt geen klagt, geen treuren,
Schoon duizend dolken u het siddrend hart verscheuren!
Dit kruis is mij ’t altaar, van waar de Godlijkheid,
De kracht van ’s menschcn geest zich als een licht verspreidt!
’k Voel d’ adel hier des stams, waaruit ik ben gesproten;
Die kracht van ziel, door hel, noch afgrond omtestooten,
Ligt in elks boezem! ja, in ’t harte kiemt die kracht,
En strekt ten waarborg van ons Goddelijk geslacht. –

     Maar ’k voel mijne onmagt, ja! ik moet hier ’t offer brengen,
En schoon ik juichen moest, kan ik slechts tranen plengen!
Vergeef mij, Jezus! dat ik ween; wie is zoo groot,
Dat slechts bewondering hem aangrijpt bij uw dood?
Ja, Socrates stierf ook als martelaar der zeden,
Maar zag door wreedheid zich niet foltren en vertreden!
Van vrienden vergezeld, omringd van zijn gezin,
Dronk hij een zachte dood het hooger leven in.
Maar gij, gij Jezus! ach! tienduizend dooden tevens,
De foltering der hel, in ’t uiterste uur uws levens!
Elk polsslag marteling! gehoond, gevloekt, bespot,
En uitgespogen als een lasteraar van God!
Een vloek van hemel en van aarde! God! wat harte
Versteent niet, bij ’t besef dier nooitgekende smarte!
Ach! uitgefloten, als monarch met spot begroet!
De duivlenlach en hoon van ’t Pharizeeuwsch gebroed!
Ach! al de foltring, al de pijnen, ooit geleden,
Ooit uitgevonden bij het ergste gruwelsmeden,
Alhier vereenigd, hier verzameld in n uur;
Neen ,’k heb geen woorden ,’k heb geen tranen: – zwicht, natuur! –

     En bij die foltring, die verguizing, bij al ’t joelen
Der hel, blijft, Jezus! gij uw Godlijkheid gevoelen!
Uw ziel, voor de aard’ te rein, blijft ongeschokt en vrij,
Bij ’t schatrend woeden van des afgronds razernij!
In pijnen nooit gedacht, bij ’t won der helsche scharen,
Smeekt ge om vergifnis voor uw dolle moordenaren!
Neen! niemand sterft als gij; ’t geloof aan uwen God
Verheft u boven smart, vervloeking, hoon en spot.
Gij zaagt in de eeuwigheid, en nooit liet gij uw lippen
Een’ kreet van wanhoop in uw uiterste uur ontglippen;
Neen, uw geloof, uw hoop bleef op uw God gerigt!
Thans staat ge uw brekend oog, uw stervend aangezigt,
Dat oog, waar uit de liefde elk aanloeg, zacht en teeder,
Op uwen halsvriend, op uw dierbre moeder neder;
Een moeder, God! wat smart valt aan haar ziel ten deel!
Wat moeder overziet dit schrikkelijk tooneel,
En stikt niet in haar smart? zoo uit hooger kringen
De geesten nerzien op het lot der stervelingen;
Dan hebben zij zich thans om ’t vloekhout heengeschaard,
Van uit hun zaligheid ter ner gezien op de aard,
Om, Jezus ! uwen dood, neen, uw’ triomf te aanschouwen! –
Nu rigt ge uw stervend oog, vol goddelijk vertrouwen,
Tot uwen Vader op, beveelt aan Hem uw’ geest:
Triomf! uw oogst is daar ja, Jezus is geweest. –
De parel schoot in ’t licht, de ruwe schelp viel neder,
En Jezus reine ziel stijgt tot de godheid weder. –

     Gij, God van Jezus God der wereld! die ’t heelal
Geenszins ter prooi laat aan een blind en woest geval;
Bczieler, Hoeder, en Vervuller! Gij, die ’t leven,
De schoonheid, kracht en geest, hebt aan de stof gegeven;
Gij Vol- en Alheid, door geen wezen ooit gedacht,
Nooit uitgesproken door de stoutste vindingskracht!
Gij onbegonnen’, die geen toekomst, geen verleden
Ooit kent, bij wien het smelt in n, n eeuwig heden;
Aan wien het mierennest, dat op dees molshoop leeft,
Den naam van Brama, Zeus, Thien, of Jehovah geeft,
Die eeuwig naamloos blijft; – die duizend myriaden
Van zonnestelsels in de onmeetlijkheid ziet baden,
Bij U slechts bobbels, door ’t geblaas eens kinds gevormd,
Slechts nevel, mist en damp: – wij, wriemlend aardgewormt’,
Onzigtbre insecten op een steengruis, durven ’t wagen,
U, Eeuwige! onze bede en wenschen op te dragen;
Als of onze onzin, ons gestamel, de eeuwge wet,
Door U, als Oppervorst, der hoofdstof vastgezet,
Ooit kon verwrikken of verandren! – neen, Vader!
(Vergeef mij, ach! dien naam, waar ’k dankcnd U me nader,)
Ook ik, ik ondeel, slechts een schaduw van ’t bestaan,
Een niets, geen druppel in d’ onmeetbren Oceaan
Der wezens, waag het niet, met mijn vermeetle klanken,
U iets te smeeken, neen, mijn God! ik kan slechts danken,
Slechts danken kan ik U, dat gij mij ’t aanzijn schonk,
En mij bezield hebt met uw’ adem, mij een vonk
Van uwe Godlijkheid hebt in de ziel gedreven;
Gij eenigc oorzaak van U zelven, die met leven
De woestenijen van den ether hebt vervuld,
Maar uw bestaan, uw’ aard, voor ons in ’t duister hult;
Ik smeekte U niet, maar ’k hoop, ik wacht, dat eenmaal de aarde
De leer van Jezus zal erkennen in haar waarde;
Dat eenmaal ’t Christendom, naar Jezus leer gesticht,
In al zijn vlekloosheid zal schieten in het licht,
En ’t menschdom, door die leer veredeld en herboren,
U, Eeuwge! danken zal voor ’t heil, aan de aard’ beschoren:
Dan zwicht geweld en roof, de krijgstoorts wordt gebluscht!
Bestem die hoop, mijn God! en ik, ik sterf gerust. –

Ja! ras zal de aard’ mijne asch bedekken;
Geen Lente me uit den doodslaap wekken;
     ’k Zal rusten in den nacht van ’t graf;
’k Zal daar ’t geschrei, de klagt niet hooren
Van ’t dierbaar kroost, aan mij geboren,
     Dat mij de liefste moeder gaf.

De roos zal uit het knopje schieten,
Maar ’k zal haar’ geur daar niet genieten;
     En de aard’ bedekk’ zich met een kleed
Van gouden halmen, die, bij ’t ruischen
Der winden, als de golven bruifcn,
     Maar ach! voor mij niet toegereed.

Geen gloed van zomerzonnestralen
Zal in mijn zwarte kluis dan dalen;
     Geen voglenzang treft daar mijn oor;
En ’s menschen hopen, worstlen, lijden,
Zijn lange smart, zijn kort verblijden,
     Dringt tot mijn eng verblijf niet dr.

Maar gij, mijn hart, mijn ingewanden,
Mijn zonen ! onvergectbre panden
     Der zaligste en opregtste trouw!
Gij zult, als ik niet meer zal wezen,
Gewis deez’ zwakke zangen lezen,
     In de overstelping van uw’ rouw.

Als gij dan aan mij zult denken,
Mijne asch een’ dankbren traan blijft schenken,
     Of mijmrend aan uws moeders zij,
En bij mijn grafzerk nergezeten,
Des aardrijks woeling hebt vergeten,
     In stillen weemoed denkt aan mij;

Als ge in den gloed der purperwolken
Die ’s avonds ’s hemels veld bevolken,
     Waant, dat mijn geest uw’ geest bestraalt,
En in het ritslen van ’t gebladert’
U inbeeldt, dat mijn schim u nadert,
     En zeegnend om u zweeft en dwaalt;

Als gij, in ’t hartverheffend duiste
Der middernacht, een zacht gefluister
     Hoort momplend waren in het rond;
Dan, op mijn beeldtnis ’t oog geslagen,
Herroept die lang vervlogen dagen,
     Toen ik u prestte aan hart en mond;

Dan, mijn ziel, mijn levensader,
Mijn zonen! denkt gij aan uw’ vader,
     En vindt in mijn gezangen troost;
Neen! ’k heb u dan niet gansch begeven,
’k Blijf in u denken, handlen, leven,
     Mijn eeuwig onvergeetlijk kroost!

Zweer dan in die eenzame uren,
Wat rampen gij ook moet verduren,
     Niet omtezwaaijen met het lot!
Zweert bij mijne asch dan, mijn zonen!|
Der deugd, den pligt u trouw te toonen,
     Blijmoedig in ’t geloof aan God.

Ja, Jezus leer, zoo rein, zoo edel,
Versterke uw hart, verheffe uw’ schedel,
     In nood, vervolging, woede en brand!
’t Geloof zij u een staf door ’t leven,
Doe u langs steilte en afgrond streven,
     Naar hooger, beter Vaderland.

’t Geloof wordt in den proefstrjd vaster!
’t Geloof zij ’t schild, wanneer de laster
     Uw doel miskent, uw deugd bespot:
’t Geloof hecht diamanten muren;
’t Geloof kan tijd en graf verduren;
     Daar, waar ’t Geloof is, daar is God!


Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.