JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

RAFAňL

     Ik zweer! ’t zal eenmaal mij gelukken
     Itaalje! uw’heilgen grond te drukken,
Ik daal van de Alpen af, in uw gezegend licht;
     ’k Zal in uw landouwen
     Ű Tiber! de eeuwge Stad aanschouwen,
          Op zeven heuvelen gesticht.
     Ű Wat, wat zal mijn hart gevoelen,
     Wat vuurstroom door mijne adren woelen,
Als mij, Ű RafaŽl! een geest, tot mij gedaald,
     Door Vatikaansche hofgewelven
     Zal voeren, en mij aan mij zelven
          Ontscheuren, door uw gloed bestraald!
     Daar zal ik, Schepper! u genieten,
     Daar, waar ge uwe almagt uit deedt schieten,
Aan wezens ’t daglicht schonkt, door niemand ooit gedacht;
     ’k Zal in uw godlijke IdŽalen
     Mij daar verliezen, mij verdwalen,
          Verplettrend door uw scheppingskracht.
     Laat, God der kunsten! laat mij hooren,
     Uit welke stof Hij is geboren,
Dat wezen, dat zoo verre elk sterfling overtrof?
     ’t Was uit geen nietig slijk der aarde,
     Dat Gij, Ű Godt! uw’ liefling baarde;
          ’t Was zuiver ether, godenstof.
     Uit welke onsterfelijke vonken
     Hebt gij den geest, aan hem geschonken,
Ontleend, in ’t zalig vuur, toen Hij geboren werd;
     Toen Hem, met nooit gekende weelde,
     Zijn moeder aan haar’ boezem streelde,
          En troetelde aan haar zuiver hart?
     Waar zijn de geesten, Hemellingen,
     Die om zijn schommlend wiegje hingen,
(Onzigtbaar aan het oog der moeder!) als een krans
     Van bloemen, in de gulden tressen
     Gevlecht der schoonste der Godessen,
          Als zij haar rijen voert ten dans?
     Ik zie die vlugge geesten waken,
     Dat Hem geen denkbeeld kan genaken,
Dan ’t geen aan Goden voegt, terwijl, bij ’t zuiver dons
     Gezeten, moederlijke handen
     Hem veilgen voor het zonnebranden,
          En hoeden voor het wespgegons
     Ű RafaŽl! gelijk de klagten
     Eens vaders, die zijn’ zoon ziet slagten,
Daar hij in ’s levens lente aan ’s grijsaards voeten stort;
     Gelijk een bruid, met holle snikken,
     Op ’t aangebeden graf blijft blikken,
          Daar als een bloem verwelkt en dort:
     Zoo hoort mijn geest den kreet, het klagen
     Des kunsten Gods, des wanhoops vlagen
Der Muzen, die haar ziel uitstorten in geween;
     Zoo zie ik, na driehonderd jaren,
     De kunsten op uw graf nog staren,
          En dorren daar in weemoed heen.
     Wat geest, wat God doorwoelt mijne adren!
     Ja! ’k zal ’t gewijd Rotonde nadren,
Waar ’t aardsch omkleedsel rust, dat U een Godheid gaf;
     Ű RafaŽl! ’k wil daar in ’t donker,
     Bij ’t hartverheffend maangeflonker,
          Ter nederknielen bij uw graf.
     ’k Wil daar, in ’t hol gewelf verloren,
     De zielversmeltbre weeklagt hooren
Der Zanggodessen, mij vereedlen door mijn smart;
     ’k Wil aan uw heilig graf mij hechten;
     Daar kermt, met ongesnoerde vlechten,
          De Muze met verbrijzeld hart.

     Is ’t waarheid , guichelspel of logen?
     Wat God heeft me aan mij zelf onttogen?
’k Ben in ’t Rotonde, Ű ja! ’t is ’t uur van middernacht!
     Wat siddering schokt mijn gebeente?
     Een Muze knielt bij ’t graf- gesteente;
          ’t Is waarheid, ’k zie ze en hoor haar klagt.

     Ja , treurig , als het dof gefluister
     Van winden , bij het aaklig duister,
Langs holle zuilen sleept, in ’t dor verblijf der doŰn,
     En dof en domp op kale wrakken
     Des ouden burgs schijnt neÍr te zakken,
          Is, droeve Muze! uw jammertoon.

     „ Ű RafaŽl ! te vroeg deez’ streken,
     „ Te vroeg de kunst, deze aarde ontweken!
„ Natuur ging eeuwen zwaar, eer ze U het daglicht schonk;
     „’t Scheen, dat de zon meer reiner stralen,
     „Bij uw geboorte, op de aard’ deed dalen,
          „De Schepping met meer luister blonk.

     „Toen Gij, met dartelende weelde,
     „Als teeder knaapjen om mij speelde,
„Nam U de Zangster van Homerus op den schoot;
     „ Daar hebt Ge, in zuivre nectartogen,
     „ De onsterflijkheid reeds ingezogen,
          „ En als Homerus U vergoodt.

     „Ja, toen reeds flikkerden en blonken
     „Uwe oogen, als twee sterrenvonken;
„Een zachte schoonheid loeg in ’t Cherubijns gelaat;
     „Terwijl uw kinderkaakjens gloeiden,
     „En lenteroosjes daar op bloeiden,
          „Als ’t purper van den dageraad.

      „Zoo kweekte ik U, mijn ziel, mijn leven!
     „Ik bragt U in de heilge dreven,
„Waar Plato’s Muze denkt, in ’t stille ahornen bosch;
     „Voerde U daar, langs geheime wegen,
     „’t Onsterflijk licht der wijsheid tegen,
          „Den gloed des hoogen kunsten Gods.

     „ Ű RafaŽl ! der Goden zegen
     „ Daalde, als een gouden zomerregen,
„Op uw gezaligd hoofd; toen greept gij uw penseel;
     „Uw harts – gevoel , niet in te toonien,
     „Deedt Gij met almagtsvonken stroomen,
          „En vlammen op ’t bezield paneel.

     „Gelijk een Maagd met teedre handen,
     „In lentes rijke bloemwaranden
„De reine lelie kweekt en koestert, laaft en voedt;
     „Zoo zaagt Ge u door de Zanggodinnen,
     „Ű RafaŽl ! verzorgen, minnen
          „Door haar gekweekt, versterkt, behoed.

     „De middag ziet, door de onweÍrsvlagen,
     „De onschatbre lelie neÍrgeflagen;
„Haar teedre bloem verdort, en de aarde wordt haar graf:
     „Ach! zoo brak, RafaŽl! ook de Engel
     „Des doods uw’ rijken levensstengel,
          „In blakende verwachting, af.”

     Zoo klaagde, in weemoed weggezonken,
     Het oog in tranenvocht verdronken,
De Muze bij het graf, daar ’t maanlicht haar bescheen:
     Zij rigt zich op; een bundel stralen
     Schijnt op haar’ gordel af te dalen,
          En flikkert langs de wanden heen.

     Zij drukt een’ krans van lauwerbla‚ren
     Zijn godlijk borstbeeld op de haren,
Zweeft langzaam weg van ’t graf, bij ’t somber licht der maan,
     Verdwijnt in de eenzame gewelven,
     En ik hervind in ’t eind mij zelven,
          Ű RafaŽl ! in ’t Vatikaan.


Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.