JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

FRAGMENT

UIT EEN

ONUITGEGEVEN

TREURSPEL

Na dat Griekenland door onderlinge verdeeldheid en twist eene prooi der Macedonische Koningen geworden was, werd het eindelijk door FLAMININUS, Consul van Rome, in het jaar 557 na de stichting dier stad, op de Istmische spelen, plegtig voor vrij en onafhankelijk verklaard, en als bondgenoot der Romeinen erkend. Uitbundig was de vreugde der Grieken, weinig denkende, dat zulk een magtig bondgenoot spoedig in eenen meester zou veranderen. Dan toen het Achaisch bondgenootschap geschikt scheen, om het Vaderland van SOLON en LYCURGUS zijnen ouden luister en kracht weder te geven, trachtte Rome door alle middelen en listen dat bondgenootschap te ontzenuwen. Dit gelukte; Corinthe werd ingenomen, verwoest en aan de vlammen ter prooi gegeven, en Griekenland werd vervolgens als Romeinsch wingewest door Pretors bestierd. Dit zij genoeg tot beter verstand der volgende aanspraak van den Griekschen Bevelhebber na het verwoesten van Corinthe.

Het vonnis is geveld, ja, Grieken! gij wordt slaven!
Leert nu, gekromd in ’t juk , naar ’s vreemdlings wenken draven:
Uw vrijheid is vernield, der Vaadren roem vermoord;
Gebrek en schande en smaad en honger holt hier voort.
Het volk, door zoo veel bloed en glorie vrijgestreden,
Ligt nu in ’t stof verguisd met diepgekneusde leden.
Go˘n! Aristides kroost, Epaminondas teelt,
Wordt nu als rooverbuit door ’s roovers klaauw verdeeld.
Wat baat het bloed, gestort op MantinÚa’s velden?
Wat vrucht brengt thans uw dood, ˘ Marathonsche Helden?
Op dat een vreemdeling, gebraakt uit Rones wal,
Uw goud verslinden, en uw ziel verkoopen zal. —
Niets, niets is ’t uwe meer! met schat en bloed en magen
Moet gij de zetels van de vrijheid – moorders schragen.
Kroost van Miltiades! leer nu der slaven kunst,
Aanbid de luimen van een’ meester, zoek zijn gunst,
Kniel voor hem in het stof, voorkom, vergood zijn wenken,
Vernietig zelf uw’ geest, (geen slavenstoet moet denken!)
Dan ziet Hij mooglijk uit zijn hoogte op u eens neŕr,
En duldt genadig dan uw hulde, als Opperheer.
’k Zie u Europa’s vloek, elks spot ter prooi gelaten,
En schaamlend bedelen langs uwe ontvolkte straten.
Wat denkbeeld! Griekenland zich buigen voor een’ Vorst!
Het onverdoofbaar vuur der wraak gloeit in mijn borst.
Ja, Grieken! ja, gij moet voor meesters u verneŕren;
Geen tegenstand baat hier, het zou uw ramp vermeŕren:
Wat baat Alcides knods in ’s grijsaards stramme hand?
En wie wringr de Etna digt, wanneer hij kookt en brandt?
Vergeefs! maar eer gij ’t kleed des slaafs gordt om uw leden,
Eer gij met hangend hoofd voor ’s vreemdlings kar zult treden,
Zij de eer van ’t voorgeslacht een offer aangebo˘n!
Hoe! zoude gij knielen in ’t gezigt dier halve Go˘n?
Neen! snelt naar de oorden , door hun godlijk bloed geheiligd;
Vliegt naar de templen, door bun reuzenkracht beveiligd,
Waar ’t marmer ons ’t gelaat dier Helden nog vertoont;
Scheurt daar hun tombe in twee, en niets blijve onverschoond!
Reeds staat Corinthe in brand, en ’k zie haar dijken zinken;
In ’t land der slaven moet geen merk van vrijheid blinken!

     Maar, Grieken! daar ge als ’t vee voor  ’t outer wordt geveld,
En magteloos uw kruin buigt voor het vreemd geweld;
Eens komt het uur der wraak tot straf der rustverstoorders:
Gestrenge Nemesis regt eens uw vrijheids – moorders.
De dag blaze in uw hart her vuur der wraak steeds aan!
Dc machr leere eens uw kroost onmerkbaar toe te slaan!
Ja, de eerste kreet, dien gij uw staamlend kind doet hooren,
Zij slechts een kreet der wraak, aan Rome toegezworen!
Aan ’s moeders borst zuig’ ’t kind den dorst reeds in dier wraak;
’t Vuur, dus in ’t hart gevoed, barste uit en brande en blaak’;
Ontvlamm’ het jeugdig hart met ongelescht begeeren,
Om ’t wee, op ons gehoopt, op ’s vijands kruin te keeren! —
Als ’t kind ten jongling rijpt, voert ’t dan , in ’t holst der nacht,
Voor de outers van de Go˘n, naar ’t graf van uw geslacht:
Zweert daar bij Jupiter, met opgeheven handen,
Te woekren met de wraak op onze dwingelanden!
Het wee, dat ons thans treft, en hen het hart verstaalt,
Word’ duizend-voudig door ons kroost aan hen betaald!

     Gij Godheŕn, die mij hoort! staaft en vervult mijne eeden!
Gij ziet nu ’t Grieksche bloed in ’t stof, als kaf, vertreden:
Duldt niet, dat ’s roovers klaauw ons als zijn prooi verdeel’,
En bij ’t Bachantenmaal zich in ons jamm’ren streel’!
Laat, laat Prometheus straf hem onzen angst doen boeten;
Hij wane in ieder Griek een’ wrekend God te ontmoeten,
Die, met den bkiksem van de wraak altoos gereed,
’t Gevoelloos hart hem treff’ en hem met voeten treed’!
Gij Go˘n, die ’t Grieksche volk hebt uit het niet getogen!
Gij kunt niet straffeloos ’s Lands ondergang gedogen;
Gij toeft, (’k aanbid uw wit), om zeker toe te staan!
Gij stemt mijn bede toe: juicht, Grieken! ’k sterf voldaan. 


Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.