JAN FREDERIK HELMERS
(1767 – 1813)

AAN MIJN

VADERLAND.

     Het misdrijf doet Europa beven; 
     ’t Verraad, alom ten troon verheven,
          Voert de oorlogsdonders brullende aan; 
     Doet duizend duizendtallen sneven,
          En hof en stad in vlammen flaan; 
     De huisman moet zijn erf begeven,
En op uitheemschen grond schier van gebrek vergaan;
     De krijgsknecht wordt in ’t woŕn gesteven;
     De landman, vloekend voortgedreven,
     Wordt lagchende beroofd van ’t leven,
Of ziet zijn gade en kroost in ijzren ketens slaan.
     ˘ Vaderland, dat, lang voordezen,
     De roem der volken plagt te wezen!
          Ach! Is uw oude roum voorbij?
     Gij, schier tilt niets ten top gerezen,
          Ontworsteld aan de dwinglandij,
     Deedt u door gansch Europa vreezen;
Gij waart alom godncht, ontzaglijk, groot en vrij;
     Uw naam, in oost en west geprezen,
     Uw vlag, met blijdschap opgehezen,
     Deed volk bij volk uw grootheid lezen,
Uw eeuwgen afkeer van geweld en slavernij.
     Maar nu, in ’t stof ter neŕrgebogen,
     Beween ik uw verdelgd vermogen,
          Mijn eertijds roemrijk vaderland!
     Zoo treurt een moeder, diep bewogen,
          Bij ’t sterfbed van haar huwlijkspand;
     Zij schreit, en smeekt om mededoogen,
En klaagt vergeefs haar wee den wouden en het strand;
     Zij dat de blos der jeugd vervlogen,
     ’t Gelaat met loodverf overtogen;
     Een mist dolt eeuwig nu die oogen,
Die straalden in haar hart; zij zwijmt, door rouw vermand.
     Zoo treur ik in dees droeve dagen,
     Terwijl een Ilias van plagen
          Ons dreigt met een’ gewissen val;
     Her stoutste hart moet zelfs versagen
          Voor Mavors dondrend krijgsgeschal;
     Het heden doet elk kermend klagen;
De toekomst spelt ons niets dan rampen zonder tal;
     De hoop zelfs vlugt, door rouw verslagen:
     Zoo vlugt, als buldrende onweŕrvlagen
     Langs Ceres veld verwoesting jagen,
De Landman schreijend weg van ’t eertijds vruchtbaar dal.
     Mogt, uit dees nacht van tegenspoeden,
     Die ’t hart des Bataviers doen bloeden,
          Nog eens een blijde dag ontstaan!
     Mogt, op de zee en op de vloeden,
          De vlag van Neŕrland nooit vergaan!
     ˘ ’k Wil die hoop blijmoedig voeden;
’k Grijp in deez’ draaikolk noch deez’ laatsten rietstaf aan.
     Gij, die alleen dit volk kunt hoeden,
     ˘ Eeuwge bron van alle goeden!
     Die thans den staarsorkaan laat woeden,
Maar dien ook stillen kunt, treed toe, of ’t is gedaan.
     Maar is ’t uw wil, Oneindig Vader,
     Wiens troon ik vol aanbidding nader!
          Dat Neŕrlands volk verga van de aard’,
     Daar ’t, in zijn’ pligt hoe langs hoe kwader,
          Zich zelf zijne eigen rampen baart;
     ˘ Aller dingen bron en ader!
Laat mij dien dag niet zien, tot zoo veel wee gespaard!
     Eer haat ons staatsgellel ontrader’,
     En Neŕrlands tuin geheel ontblader’,
     Dat mijn geslacht mijne asch vergader’:
Zij blijve in ’t grafgewelf voor de eeuwigheid bewaard!
     Toch is me, ˘ God! eens ’t heil beschoren,
     Dat door mijn zerk de stem zal boren,
          Gespeld in uw onfeilbaar woord;
     Heb ik hier gade of kroost verloren,
          Door hen worde ook die stem gehoord;
     ’k Snel dan met hen en de englenkoren
De schepping juichend rond, door ’t stof niet meer gestoord.
     Dus werpt de Landman uit zijn’ horen,
     Wanneer de zaaitijd keert, het koren
     Verheugd in de omgeploegde voren,
En ’t zaad brengt weŕr voor d’ oogst verjongde halmen voort.

Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.