JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

AAN DE VRIJHEID.

Waar ben ik? ’k Voel mijn’ boezem blaken;
     ’t Bloed bruischt met meerder aandrift voort!
Hoor ik Parnassus Lauwren kraken?
     Zweeft Phebus godheid in dit oord? – 
’k Gevoel ’t: eene ongekende ontroering,
Een heilge drift, een geestvervoering
     Vervult me! de aarde ontzinkt mijn’ voet: – 
’k Zweef tot aan ’s Ethers verste palen;
Mijn borst mag ruimer adem halen;
     Ik baad me, ˘ Phebus, in uw’ gloed.

Vergeefs ! ’t geknal der donderslagen
     Voert mij te rug, langs ’t gloeijend puin, 
Naar Mavors plettrend’ oorlogswagen,
     Bij ’t omgewroet, misvormd arduin; 
’k Hoor ’t naar gekerm, bij ’t vreeslijk tieren
Van onverzaadbre en wreede gieren;
     Ja, bij den algemeenen brand, 
Die thans Europa slaat in de oogen,
Grijp ik, tot in de ziel bewogen,
     Het speeltuig moedig van den wand.

De staatsorkaan, die de aard’ doet beven,
     Heeft een verschriklijk licht verspreid!
Der driften heer, aan ’t juk ontheven
     Van orde , wet en menschlijkheid, 
Heeft, door ontelbre gruweldaden,
’t Verderf van ’t rnenschlijk hart verraden:
     Zoo splijt een bliksem ’t prachtig graf, 
En toont bij d’uiterlijken luister
’t Gewormt’, dat wroet in ’t aaklig duister,
     En siddrend wendt elk de oogen af.

Wie zweeft hier aan met floers omhangen,
     Daar ’t oog van bittren weemoed staart;
Terwijl, langs de ingegroefde wangen,
     De tranen biggelen ter aard’ ?
Een wolk van rouw bedekt hare oogen;
De blos der jeugd is reeds vervlogen,
     Maar achtbaar is haar zwier en stand:
Zij wordt omringd van haar gespelen,
Die treurig in haar droefheid deelen;
     Een speer hangt slepend in haar hand.

˘ Vrijheid! ’k wenschte uw’ lof te zingen!
     Hoe, door der vaadren heldenmoed,
Ge u de ijzren kluisrer dorst ontwringen;
     Hoe zij, in ’t harnas opgevoed,
De deugd verr’ boven ’t leven stelden!
Maar ach! dat edel kroost van helden,
    Wier naam nog siddring wekt, verdween. – 
Het nakroost heeft hun deugd verloren,
En ’t geen mijn zangdrift aan kan sporen,
     Is verontwaardiging alleen.

Ja, Vrijheid! ’k boor langs bergen, dalen,
     Van de eeuwige Alpen tot de zee,
Uw’ naam door ’t schaatrend volk herhalen!
     Maar, ach! het kermt, verzucht in ’t wee!
Het sier’ uw beeld met rozenkransen,
En zwier’, in slingerende dansen,
     Door vreugd bedwelmd, uwe outers om!
Maar ’t ziet, zich zelve weŕrgegeven,
Zich min dan eertijds ’t wee ontheven,
     En schendt uw beeld en heiligdom.

Zoo ziet een Landman aan de kimmen
     Van ’t veld, dat smacht naar ademtogt,
Des uchtends blij de wolken klimmen,
     Bezwangerd van ’t weldadig vocht:
Maar ach! een storm snelt aan; zij breken;
Het water giet in volle beken
     Verwoesting op zijn’ vruchtbren grond,
En stort zijn hut in ’s afgronds kolken;
En ’s avonds vloekt hij de eigen wolken,
     Door hem gewenscht in d’uchtendstond.

Ach! zijn die tijden ons ontvlogen,
     Toen gij, ˘ Vrijheid! als een zon
Ter oostkim steegt; toen uw vermogen
     De kracht van Azie overwon?
˘ Marathon ! Platea’s velden!
TherinopylÚ, ˘ graf der helden!
     ˘ Sparte ! Thebe ! Theseus wal,
De telg van Jupiter geheiligd!....
Toen werd de deugd door u beveiligd,
     Gesterkt in ’t grievendste ongeval.

Toen kost gij ’s menschen geest verheffen!
     De bastaardij en woestheid viel!
Gij deedt elk ’t eedle en schoon beseffen,
     En schonkt meer veŕrkracht aan de ziel!
De kunst bloeit aan PÚneus boorden!
Demosthenes boeit aan zijn woorden
     Het volk, als hij op ’t marktveld stormt!
Elk hoort hier Plato’s gouden lessen,
De Xenophons, de Euripidessen;
     De Grieksche Apollo wordt gevormd. – 

Hoe? ’t Kwaad is, met onbreekbre banden,
     Dan aan het goede altoos verknocht?
’k Zweef, Grieken! naar uw vruchtbre stranden!
     Wat gruweldaÔn zijn hier gewrocht! – 
De vrijheid deed u zegevieren!
Gij scheurt ontzind die krijgsbanieren,
     Bereidt u zelf ’t ontdraaglijkst wee!
Dus vloeit de Rijn tot heil der volken,
Maar tevens sleept hij in zijn kolken
     En dijk en hut en veldling meŕ. – 

Wie kan, wie durft mijn drift beteugelen!
     De God der Dichtkunst geeft mij kracht!
’k Verhef me, en zweef op aadlaars vleugelen,
     Verloopene eeuwen! in uw’ nacht. – 
Verbreek met eedle geestverrukking
Het juk der Vorstlijke onderdrukking,
     ˘ Griek! ontruk u d’ijzren klaauw:
Triomf! de Pisisatraten vlugten ! -
Ras zult gij onder ’t slagtmes zuchten
     Van ’t hongrig, woest, onzinnig graauw.

Wat drift doet mij naar ’t marktveld streven?
     Daar toont ge, ˘ Volk, uwe oppermagt!
Tien Legerhoofden zie ik sneven,
     Door u met woest gejuich geslagt. – 
De Vrijheid siert met lauwerblaÔren
Miltiades, en van zijn haren
     Rukt gij die lauwren in het stof! – 
Ontvlugt uwe ouderlijke daken
Themistocles ! de rust te smaken
     Wordt u vergund aan Xerxes hof.

˘ Gij, wiens deugden eeuwig blinken,
     ˘ Sofroniskus eedle zoon!
Wat Vorst doet u den gifkelk drinken,
     Uwe onverwrikbre deugd ten loon?
Wat Vorst? – Neen , ’t volk, dat gij vereerder,
’t Volk, dat gij vijftig jaren leerdet,
     Vermoordt u in zijn razernij!
Geen tachtig welbestede jaren
Kan, Phocion! uw kruin bewaren;
     Gij sneeft; en ’t volk brult: „wij zijn vrij!”

Zoo brullen razende Bacchanten,
     Voor rede, regt en orde doof,
Schuimbekkend rond aan alle kanten,
     En storten woedende op haar’ roof.
De vader, die haar kindschheid hoedde,
’t Kroost, dat ze aan d’eigen boezem voedde,
     De nan, die aan haar dolheid treurt,
En knielend deernis tracht te wekken,
Moet thans ten bloedig offer strekken
     Der onbetembre uitzinnigheid.

Maar eindlijk aan zich zelv’ hergeven,
     Ziet de uitgeteerde en woeste drom
All’ de offers, die zijn wraak deed sneven;
     De menschlijkheid keert wederom.
Elk ziet de wreed verscheurde leden
Van ’t voorwerp, eertijds aangebeden,
     En nu door eigen hand geslagt.
Door wee in ’t krimpend hart geslagen,
Doen zij thans ’t bloedig strand gewagen
     Van hare onnutte jammerklagt.

Zoo is ’t gemeen. – Atheensche scharen!
     Waar toe die tempels opgerigt
Wat baten Socrates de altaren,
     Voor hem na zijnen dood gesticht? – 
Zal ’t voordeel aan het schelpdier geven,
Als hem ’t beperkt, naauw merkbaar leven
     In ’t hart der golven is ontrukt,
Dat met gejuich, den andren morgen,
De parel, in zijn schelp verborgen,
     Aan ’s Konings tulband wordt gedrukt?

Gelijk een koele zomerregen,
     Als ’t kreeftgestarnt’ den grond verschroeit,
Op ’t splijtend aardrijk neŕrgezegen,
     In milde droppen de aard’ besproeit,
En Ceres half verdroogde schatten
In vruchtbre halmen uit doer spatten,
     Daar de Anemoon herleefd op ’t veld,
De dartle veld- en stedelingen
In de opgezwollen beekjens springen,
      En ’t al een’ dubblen oogst voorspelt; 

Zoo daalt ge, ˘ Vrijheid! ook op aarde,
     Bij ’t volk, daar wijsheid wetten geeft;
Bij wie de godsdienst nog zijn waarde,
     De deugd nog ’t echte kenmerk heeft.
Zoo daaldet ge eens in dees moerassen,
Door u aan ’t golfgeklots ontwassen,
     Bij ’t voorgeslacht in blijder eeuw!
Keer, rijd! keert, voorgeslachten! weder;
Toen boog en Seine en Theems zich neder
     Voor ’t forsch gebrul van Neŕrlands Leeuw.

Maar heeft een volk het juk verbrijzeld,
     Het zalig juk, van orde en wet;
Is ’t door bet misdrijf reeds gegijzeld,
     Geklemd, geketend in zijn net;
Is goede trouw, zijn zuivre zeden
Verbannen, in het stof vertreden;
     Zijn godsdienst, deugd en regt niet meer: – 
Wee, wee die volken, wee die dagen!
Een wolkbreuk van ontelbre plagen
     Stort klettrend op die volken neŕr.

Vuur, dat, in ’s afgronds ingewanden
     Besloten sints onheugbren tijd,
In ’t eind met naar geloei aan ’t branden,
     Het krakend aardrijk opensplijt,
En bosschen, velden, steden, volken
Verzwelgt in zijne ontgloeide kolken,
     Brengt min verwoesting voort op de aard,
Dan ’t schaduwbeeld, dat, dwaas verheven,
De naam van Vrijheid wordt gegeven,
     Aan zedelooze volken baart.

Ja, ’k voel ’t! niets kan mijn drift bepalen!
     Mijn geest, mijn denkkracht wordt meer vlug!
Ontrolt u, eeuwige verhalen!
     Vervlogene eeuwen, keert te rug! – 
Snelt aan! gij zult mijn voorbeeld staven!
Neen, wordt weŕr in uw’ nacht begraven! – 
     ˘ Tijd! ˘ zeden! agttiende eeuw!
Wat razenijen ! helsche spoken,
Uit ’s afgronds jammerpoel gebroken!
     Wat hartdoorknagend moord. geschreeuw!

’t Verheft zich, om aan de aard’ te leeren,
     Dat, zoo tot heil van ’t wereldrond
De onschatbre Vrijheid zal regeren,
     Ze op deugd en wet moet zijn gegrond.
˘ Gaulers, die met heete tranen,
Bij onverwinlijke oorlogsvanen,
     Uw’ schrikkelijken val beschreit,
Toen gij, door tijgers aangegrepen,
Als lamm’ren u zaagt henen slepen,
     In naam van regt en menschlijkheid!

Schreit bloed; laat, laat uw klaagstem stijgen!
     De waarheid stelt voor mijn gezigt,
(Geen wufte volkswind doet mij zwijgen,)
     Uw gruweldaden in het licht.
Wat woeste bende, heet op moorden,
Bestormt het slot aan Seines boorden,
     En brult, bij ’t hooger rijzend wee,
Zijn’ vrijheidskreet, met dolle zinnen!
Dus brullen woeste wijnpapinnen
     Haar hartverscheurend EvoŰ.

Die kreet bedwelmt het volk; alle orden
     Is weg, de band der maatschappij
Verbroken; woeste naakte horden
     Verdelgen de aarde in razernij:
Zie de achtbre tempels uitgeplonderd!
’t Beeld van Gods zoon ter neŕrgedonderd,
     Waar ’t graauw godlastrend hymnen bromt;
En ’t beeld van Romes rustvesftoorder,
Van een’ ontzinden vadermoorder,
     Onteert ..... mijn zangeres verstomt.

˘ Vrijheid, ziel en lust van ’t leven,
     Door volk bij volk op ’t wreedst miskend,
Dat, aan der zeden juk ontheven,
     Uwe achtbre wetten zinloos schendt!
Wordt gij op gindschen staatsiewagen,
Gelijk een Godheid, omgedragen?
     Zijt gij ’t, ˘ dierbre Vrijheid? neen! – 
Wie wordt bewierookt, aangebeden?
’t Is een, wier valsche aantreklijkheden
     Verachtlijk veil zijn voor ’t gemeen.

’t Volk juicht vol zinnelooze blijheid:
    Zoo juicht een tijger bij zijn’ buit! – 
„Knielt, volken! knielt! herkent de vrijheid!
     „Zij nadert als een jonge bruid!
„Zij nadert! door haar trotsche wielen
„Zal zij ’t geweld en dwang vernielen;
     „’t Vooroordeel vlugt op haar gebod. – 
Maar ach die raderen verpletten
Deugd, kunsten, zeden, regt en wetten,
     En d’eerbied voor den hoogen God.

Wat naar tafereel rijst voor mijne oogen!
     Een vierschaar van ’t verachtlijkst graauw,
Door woede en drank zich-zelf onttogen!
De deugd geklemd in d’ijzren klaauw – 
     Bacchanten zwelgen uit pokalen!
De wijn, het bloed verft Themis zalen!
Bij ’t schaatrend juichen van dit rot
     Sneeft de onschuld in den bloei des levens!
De regters zijn hier beulen tevens!
     De regtzaal is een moordschavot! 

Hoor ’t bang gekerm, het handenwringen!
     Het Kroost op ’s Vaders lijk geslagt!
De maagden, kindren, zuigelingen,
     Met knodsen vreeslijk omgebragt!
Ja vrouwen, nieuwe wraakgodessen,
Zijn aan de zij dier Herculessen,
     Daar woede en drank in de oogen blaakt,
In Themis regterstoel gezeten!
Elk vonnist hier slechts naar ’t geweten;
     Schoon elk ’t geweten heeft verzaakt.

De hel ontfluit in ’t eind haar kaken,
     En wroet tot in haar ingewand,
Om ’t schriklijk IdŰaal te slaken
     Van moord, verdelging, roof en brand,
De schepping trilt, des afgronds kolken
Verwachten reeds ontelbre volken,
     Als kaf verstuivende van de aard’:
Natuur verstomt! de deugden vlieden,
Bij ’t woest getier der Eumeniden!
     En Robespierre wordt gebaard! – 

Veel minder zijn de korenaren,
     Die in den herfst de Landman velt;
Min talrijk werpt het bosch de blaÔren
     Van zijne kruin, als ’t najaar snelt;
Ja, uit uw dikbesneeuwde lokken
Schudt gij, ˘ Wintergod! de vlokken
     In winder tal op ’t aardnijk neŕr,
Dan de offers zijn, die, bij de Gallen,
Het vloekgedrogt in ’t stof doet vallen,
     Door zijn bewerktuigd wraakgeweer.

Het monster plant alom zijn’ standerd!
     Niets, niets ontvlugt zijn dwinglandij!
Rivieren zijn in bloed veranderd!
     Elk Landschap is een woestenij! – 
’t Gedrogt weet gruwlen uit te vinden,
Nog ongedacht! – zijn beulen binden
     De braafsten! ’k zie ’t geschut geplant;
De dood barst uit die koopren monden,
En duizend offers zijn verslonden,
    Gevoerd naar beter Vaderland!

Vlugt, Loire! ontvlugt dees helsche streken!
     Duik, Seine! duik in ’t spichtig riet!
Naar ’t eeuwig ijsgebergt’ geweken,
     ˘ Rhone! daar ge uw’ oorsprong ziet!
Ontscheur uw golven aan dees landen,
Voer, voer naar meer gewenschte stranden
     De zegeningen van uw’ vloed! – 
Vergeefs! reeds oopnen zich uw golven;
En duizend offers zijn bedolven,
     Of dobbren stervende in hun bloed!

˘ Groote mannen! dierbre schimmen,
     In naam dor Vrijheid omgebragt
Uw lof zal door alle eeuwen klimmen!
     De aard’ dekke uw kil gebeente zacht!
Gij allen, die ik niet durf noemen!
’k Sier uw vergeten graf met bloemen,
     Daar niemand wijn of olie brengt:
Rust zacht, na ’t buldren van de orkanen,
Versmaadt de hulde niet, de tranen,
     Die u mijn droeve zangster plengt.

Uw naam zal ’t woŕn des tijds verduren:
     Zoo heft, voor aller volken oog,
In Numa’s diep verneŕrde muren,
     Het ColizÚum ’t hoofd omhoog!
’t Zag Romes luister ecnmaal schijnen,
De volken, als een damp, verdwijnen,
     En schudde ’t stof van eeuwen af!
Elk wijsgeer ziet, in ’t plegtig duister
Van zijn gewelven, nog den luister
     Van ’t volk, dat de aarde eens wetten gaf.

Wanneer de volken ’t miskennen,
     ˘ Vrijheid! daar ge eens wetten gaaft,
Dan snelt gij heen op aadlaarspennen,
     Ras zijn die volkeren verslaafd;
Gij snelt daar heen! – en uit de wolken
Hoort gij bet woest getier der volken!
     Dees vloekt, die zegent u, Godin!
Gij ziet der boozen worstelingen!
Maar kalm zweeft gij naar hooger kringen,
     En snelt den kreits der eendragt in!

Zoo ziet, op Etna’s kruin verheven,
     Een reiziger, als ’t onweŕr woedt,
Het duizendjarig mastbosch beven,
     De stormen worstlen aan zijn’ voet.
Hij ziet de donderwolken naderen,
De bliksems onder hem vergaderen,
     En rots bij rotsen door d’orkaan,
Als sneeuw, geslingerd heen en weder!
     Uit hoogcr luchtkreits schouwt hij neder,
 En ziet dit zonder siddring aan.

˘ Telg der godheid! schiet go uw stralen
      Slechts daar, waar ’t volk de wetten geeft?
Moet hij beklemd in ’t duister dwalen,
     Die onder ’s Vorsten schepter leeft?
Kweekt dan een Koningrijk slechts slaven?
Verdorren daar uwe eŕlste gaven?
     Neen, neen! alom slaaft ge uw gebied,
Waar regt van eigendom, en orden,
En veiligheid gevonden worden!
     En waar die wijken, heerscht gij niet!

Hoe! waart ge in Rome meer beveiligd,
     Door lage volkstribuuns bestierd,
Toen ’t achtbaar Kapitool ontheiligd,
     Toen ieder Veldheer dwingland wierd?
Dan toen gij zaagt de heileeuw schijnen
Der Titussen , der Antonijnen? – 
     ˘ Lust der wij zen, vreugd der aard’!
Al÷m kunt gij uw’ zetel vesten,
Bij Vorsten, bij Gemeenebesten,
     Bij volken, uwe weldaan waard.

Het kroost van Tell, in sneeuw begraven,
     Juicht in zijne armoŕ: „wij zijn vrij!”
De trotsche Brit veracht, als haven,
     Elk, die min schats bezit dan hij.
Snel, vlieg met mij naar de oosterkimmen!
’k Zie, Pichili! uwe oevers klimmen:
     Een Keizer huldige hier natuur,
Doet haar bevel zijn volken hooren,
Drijft zelf het kouter door de voren:
    Zie daar ’t aartsvaderlijk bestuur!

Gij, op ’t oneindig ruim der wateren
     Verloren, stil, gelukkig Land!
’k Hoor blijde uw vruchtbre heuvlen schateren!
     De vreugd fiijgt op uit bloem en plant!
Elk koeltje wasemt zegeningen!
De dartle stoet der jongelingen
     Zweeft met der maagden – rel in ’t rond!
Elk smaakt het zoet der veldvermaken;
De liefde door elks boezem blaken,
     Taithi! op uw’ blijden grond.

˘ Mogt, zoo zorgloos, zonder kommer,
     Na ’t doorgeworsteld oorlogswee,
Europe, in schaduw van eikenlommer,
     Genieten ’t zalig zoet der vreŕ!
Snelt aan, verrukt ons, blijde dagen!
Gelijk na buldrende onweŕrsvlagen
     De dartle Zefir ’t bloempjen kust:
Dat Nederland, aan ’t wee ontheven,
Haar gouden eeuw weŕr zie herleven,
     Met vrijheid, welvaart, vrede en rust!

Gelijk een reiziger aan ’t dwalen,
     Die, in bet duister van den nacht,
Verlangend hijgt naar Phebus stralen,
     Of op Diana’s aankomst wacht,
Allengs, verheugd , de schemeringen
Verdunnen ziet aan de oosterkringen,
     Ras Venus heldre star bespeurt,
Dan ’t goud ziet flikkren op de baron,
Tot Phebus , glansrijk opgevaren,
     In eens het floers der wolken scheurt:

Zoo zult ge eens schittrend de aard’ verlichten,
     ˘ Vrijheid! die mijn’ zang bezielt. – 
Ja, ’k zie geweld en heerschzucht zwichten,
     Elk volk voor uw altaar geknield;
De vrede elk rust en heil bereiden,
Geen slagboom meer de volken scheiden:
     Elk eert de deugd, geenszins haar’ schijn!
Wat denkbeeld heeft mij ingenomen! – 
˘ Mogten die geen ijdle droomen
     ˘ Vrijheid! van uw’ Dichter zijn!

Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.