JAN FREDERIK HELMERS (1767 – 1813)

WELDADIGHEID.

Neen! ’t menschdom is nog niet verloren!
     Nog zijn er sterren in deez’ nacht,
     Waar ’t ranke bootje hulp van wacht!
Weldadigheid doet nog haar stem aan de aarde hooren.
     Die bloem, geteeld uit godlijk zaad,
Spreidt nog haar’ geur in Nerlands luchten;
En hoe het menschdom ook moet zuchten,
     Zij blijft ons hart ten toeverlaat.
Verdelger! schiet Vrij af uw’ donder,
     En maai de volken weg, als gras;
     ’k Sta toe, dat u uw slavenras,
In ’t slijk, in goud gekneld, gelijk een’ God bewonder’:
     Gij komt, en de aarde rookt van bloed!
Weldadigheid daalt uit den hoogen,
Om weeuw en wees den traan te droogen,
     Dien gij, verdelger! storten doet.
De Piramide, in ’t zweet der volken
     Gesticht, pers’ vrij elks eerbied af;
     Mijn oog ziet in haar slechts een graf,
Schoon zij haar kruin verheft door ’t dundoek van de wolken.
     Maar zeegnend, dankend zie ik ner
Op ’t veld, waarop een zee van koren
Haar liefelijk gefuis doet hooren,
     En ’k denk daar aan geene eerzuil meer.
Ik , Priester van de Zanggodessen,
     Ik spreek onfeilbre oraklen uit!
     De God der dichtkunst slemt mijn luit,
Onsterflijk zijn haar gouden lessen. –
     Verdelg vrij de aard’, Philippus zoon!
Ras zult ge in Babels muur bezwijken;
Maar op het graf van koninkrijken
     Ruischt nog der Dichtren heldentoon.
Ja ! eeuwig, magtig , onverderflijk
     Klinkt nog uw lied, Thebaansche Zwaan
     Athene en Sparta zijn vergaan,
Maar Maro, Flakkus, zijn onsterflijk. –
     De vlam, die in den Dichter brandt,
Is ’t heilig vuur in Vesta’s koren:
Waar is hij, die haar’ gloed kan smoren!
     Geen God legt de genie aan band.
Des Dichters geest klieft lucht en wolken!
     Wat raakt het hem, of de aard’ hem roemt;
     Of hem het graauw verheft of doemt?
Stoort hij zich aan ’t gebas der volken?
     Ja, Cesar! de aarde aanbidde u vrij:
Ik vloek uw plondren en vernielen;
Mijn hart. blijft voor Lascasas knielen,
     En Howart is een God voor mij. –
Weldadigheid ! uw zoet verrukken
     Verstompt, vernielt den pijl der smart;
     Behoefte van ’t gevoelig hart
Geen taal heeft woorden om uw’ wellust uit te drukken:
     De dankbre traan, die ’t weesje schreit,
Door u ’t gebrek, den dood onttogen,
Zijn paarlen, waarvan ’t Alverrnogen
     Voor u een zegekroon bereidt.
Ach! zie die moeder ginds verfmachten;
     Haar telgje aan de uitgedroogde borst
     Verteert, vergaat, en sterft van dorst!
Wie is gewaardigd om haar smarten te verzachten?
     Snelt aan, gelukkigen! snelt aan;
Wat wellust is aan u beschoren?
Gij komt ! – de moeder is herboren!
     Gij komt! – en ’t wichtje lacht u aan.
Verkwiklijk , als een zomerregen,
     Zacht , als een blijde lentelucht,
     Mild, als een dauw, die ’t veld bevrucht,
In ’t statig avonduur op ’t landschap nergezegen,
     Zijt ge,  weldadigheid! uw gloed
Doet verkracht in ons harte dalen,
Gelijk een bundel zonnestralen
     Natuur in ’t Noord herleven doet.
Ach! wat, wat toch is ’t menschlijk leven,
     Zoo niet de Godheid in ons hart
     Die zucht tot bijstand in de smart,
Die drift tot redding aan het menschdom had gegeven?
     Daar stort in ’t nat een zuigling ner;
 Wat geluk mag mij gebeuren!
Ik kan het aan den stroom ontscheuren,
     En geven ’t aan de moeder weer!
Zij drukt me aan ’t moederlijke harte,
     Omklemt haar’ zoon, stort aan mijn’ voet!
     Haar oog ontspringt een tranenvloed,
Nu sprakeloos van vreugd, weleer van angst en smarte:
     Zij juicht! gaat dankend ven mijn zij’!
Zij juicht! – de daad, door mij bedreven,
Heeft hooger wellust mij gegeven,
     Schonk hooger zaligheid aan mij,
Ja, rein, als lelien der dalen ;
     Ja, zuiver, als der duiven gloed;
     Verfrisschend, als een zilvren vloed,
In ’t brandend Afrika, voor hen, die dorstig dwalen;
     Sterk, als ’t gebergte op de aard’ verspreid;
Verr’ boven hopen, wanklen, vreezen,
Zijt, waart ge, en zult gij eeuwig wezen,
      Godlijke Weldadigheid!
De roode bast der kostbre boomen,
     Dien Peru ons tot redding schikt,
     Heeft minder lijdenden verkwikt,
Deed minder levenskracht den zieke in de aadren stroomen
     Dan ’t weldoen kracht schenkt aan ons hart;
De weldaad is een dierbre balsem
Der ziel, wanneer de giftige alsem
     Van wrevel opschiet in de smart.
De Chrysalide, in ’t web besloten,
     In ’t kostbre graf van zijde en goud,
     Door noeste arbeidzaamheid gebouwd,
Ontspint daar d’ eedlen schat, uit eigen borst gevloten!
     Daar is het, dat zij werkt en leeft;
Daar weeft ze, in haar geheimvol duister,
D’ onschatbren dos, die gloed en luister
     Aan Vorsten en aan Schoonen geeft.
Daar weeft zij, voor ’t heelal verborgen:
     Het loon is daar! zij breekt haar cel;
     Ontstijgt haar graf, golft, als kapel,
In ’t stroomcend zonnelicht, op vleuglen van den morgen.
     Ook zoo verbergt ge uw werk aan de aard’,
Weldadigheid geen lofgezangen,
Geen’ dank wilt gij tot loon ontvangen;
     Gij blijft ii zelve, uw’ adel waard.
Weg dan met loon! – neen, in u zelven,
     In eigen hart, Weldadigheid!
     Hebt gij u ’t edelst loon bereid:
Uit eigen borst weet gij dat loon u op te delven.
     Wee hem, die schandlijk loon verlangt!
Neen, neen! gij zult u niet verlagen,
Door voor den wellust loon te vragen,
     Dien ge uit uw weldoen zelf ontvangt.
Ja, eenzaam, ongezien van de aarde,
     Verkwijnt de plant in woestenij!
     Maar Humbold komt; de maatschappij
Ontvangt haar uit zijn hand, als een geschenk van waarde,
     Gij, Menschenvriend! treed in dit dal,
Dring in deez’ hut, deez’ kluis vol zorgen;
Dr ligt een diamant verborgen,
     Die ’t menschdom luister schenken zal.
De berg, een zoon der wilde golven,
     Met marmer, ijs, graniet omschorst,
     Besluit wel, in zijn diepe borst,
Een rijke mijn van goud, maar ’t ligt onopgedolven:
     Na eeuwen treedt de kunst hervoor;
De bergschors zwicht voor haar vermogen;
De gouderts, aan zijn’ nacht onttogen,
     Stroomt eenslags nu de wereld door.
Die berg zijt gij, gij woekeraren!
     Koud, hard zijt ge, als der bergen rand;
     Geen laafdronk vloeit ooit uit uw hand;
Besloten in u zelf, blijft ge op uw goud slechts staren.
     Maar ziet nu hij uw sterfbed rond;
Daar naadren zij, uw dartle neven,
En ’t goud, waar voor ge uw ziel zoudt geven,
     Stroomt nu, verbrast, langs disch en grond.
Ach! waarom verr’ van u verstooten
     Den wellust, voor geen schatten veil,
     Die nooit beschrjfbre vreugd, om ’t heil
Van andren, door uw’ schat, uw weldan te vergrooten?
     Thans is het in uw binnenst’ nacht;
’t Is koud, ’t is winter iii uw’ boezem;
Doet wel, en straks ontluikt de bloesem
     Der bloem, door ’t weldoen voortgebragt.
Die deugd is u als ingezworen,
     Mijn Landgenooten! gij gevoelt
     Den wellust, die het hart doorwoelt
Van hem, wien de eedle taak van weldoen is beschoren;
     Gij komt, gij redt, wat zalig lot!
’k Verlies me, ja! daar rijst Gods tempel!
Gij, ingewijden! drukt den drempel;
     Daar, waar het weldoen leeft, is God.

Ingezonden op 19 July 2001 door J.R. van Wijk.