't Geuzenvendel op den Thuismars

Zij kwamen na jaren uit Brabant weêrom
Met vliegend vaandel en slaande trom,
En zagen de zon bij het zinken
Op 't duin van hun Vaderland blinken.

Zó rukken zij voort - 't is de zee, die hen trekt -
Maar ginds, waar het gras hun gevallen dekt,
Is 't, of hun een `halt!' wordt geboden,
En houden zij rust bij de doden.

`Komt, sla de trommel en steekt de trompet!
Maar langzaam en statig, als zij 't een gebed,
En treed met ons vaandel naar voren;
Zij zullen het Prinsenlied horen!'

Zij zongen het, saâm om de heuvel geschaard,
Met de hand aan den hoed, met de hand aan het zwaard,
En plechtig, ver in 't ronde
Klonk 't lied van Aldegonde

Toen sprak nog de hopman een: `Broeders, Goênacht!'
En 't vendel trok voort; aan de kim, als een wacht,
Verhieven Holland's duinen
In 't avondrood hun kruinen.

F.L. Hemkes
(1854 - 1887)

[ XL Gedichten , 1882 ]