HIDSE HOEKSTRA (1830-1859)

MIJNE OVERWINTERING TE KROONSTAD (1) IN 1856 EN 1857

t'Was in Augustus toen ik blij
Als moest ik naar een danspartij
Mijn zeilen heesch en koers ging stellen
Naar Russisch kust, ook mijn gezellen
Matrozen jongens iedereen
Was in zijn schik toen 't land verdween
Want met den hoop om vlug te varen
Kwam zich het blij vooruitzigt paren
Om voor den barre winter tijd
Te Huis te zijn van storm bevrijd
'tGing van Livorno's hooge wallen
Afwis'lend voort met welgevallen
Verscheen Gibraltars hooge klip
Na Zestien dagen als een stip
De wind was wis'lend ging wat draaijen
Maar bleef toch steeds van ach'tren waaijen
Tot hij ons bij Gibraltar bragt
Toen kwam Evol met kracht en magt
En Brulde uit zijn holle kaken
Dat tuig en masten bijna braken
Doch regt van acht'ren dit gaf spoed
En elk van ons weer meerder moed
Om voor het ijs zijn ijzeren banden
Gesmeed had langs de noordsche stranden
Reeds 'thuis bij vrouw en vriend en wijn
Dat woeste oord ontvlugt te zijn
Zoo voeren wij te vreden henen
Schoon vreeslijk sling'rend daar wij stenen
Van Marmer bijna zeelast zwaar
Geladen hadden die 't schijnt raar
Een schip zoo vreeslijk doen slingeren
Dat men zich steeds met voet en vingeren
Moet houden zelfs bij 't schoonste weer
Of men valt wis van boven neer
En wordt een prooi der woeste baren
Al heeft men nog zoo lang gevaren
Een van mijn volk die 't overkwam
Dat 't schip hem 't evenwigt ontnam
Zoo dat hij onbewust ging vallen
Wel in de Zee voor 't oog van allen
't Was juist een vrees'lijk duis'tre nacht
Dus hulp kon er niet aangebragt
Zoo dat den jongeling is gezonken
En in d'onpeilbre zee verdronken
Dit wasvoor ons een nare stond
Zoo stonden w'allen nog gezond
En vrolijk met elkaar te praten
Daar moet er een zijn Leven laten
O help! O help! was 't een'ge woord
Dat van zijn lippen is gehoord
Toen was hij weg de groote golven
Die hadden hem aldra bedolven
Geheel ontsteld en gansch ontdaan
Voel 'd elk zijn hart weemoedig slaan
Zoo wisselvallig is het leven
Des Zeemans als hij is omgeven
Door d'Oceaan haar zilte nat
Want nooit wordt dit zijn offers zat
Reeds duizenden zijn er gebleven
En duizenden zal 't lot nog geven.
Na dit geval dat ieder speet
Wordt meer een oog in 't Zeil besteed
Opdat het niet meer mogt gebeuren
Dat een van ons zich los liet scheuren
Zoo voeren wij afwis'lend voort
Tot door 'tKanaal steeds om de noord
Waar nu de Herfst met woeste vlagen
Ons wrede? schip zich meer ging plagen
't Ontstuimige weer nam daag'lijks aan
Naar mate 't Schip mogt verder gaan
En reeds bij Dovers hooge wallen
Kwam storm op storm ons overvallen
Met buijen uit het noord en zuid
En maakte meenig scheepling buit
Wij evenwel schoon zwaar beladen
En al te zwak bemand betraden
Een veil'gen weg, wel scheen het strand
Van 't ons zoo dierbaar vaderland
Haar wreede banken uit te steken
Om ons en 't schip den nek te breken
Doch Godes zorg en onze moed
Heeft ons voor dit gevaar behoed
Evol liet weer zijn stormen rusten
En voer'd ons stil Jutlands kusten
Doch nauwlijks kwamen wij daar aan
Of stormen 't scheen soms een Orkaan
Verzeld met sneeuw en mist en regen
Woei ons verscheid'ne dagen tegen
Dit alles bij een duis'tre maan
Bragt ons de meeste zorgen aan
Schoon zonder vrees voor Jutlands kusten
Liet 't schepen tal ons toch niet rusten
Daar ieder uur der lange nacht
Een schip of stoomboot bij ons bragt
't Welk zoo wij aan elkander raakten
Den afgrond voor ons open maakten
Die greetig naar den nieu'wen buit
Zich meestal over beiden sluit
Voor waar noch zelden in mijn leven
Was ik door meer gevaar omgeven
God hielp ons echter al 't gevaar
Voor storm en Zeiling wat daar waar
Verdween toen zich de wind ging draaijen
En helder uit 't Noordwest ging waaijen
Dra' kwam 'k te Koppenhage aan
Waar voor 'k wat goed'ren had gelaaan
Die men na vracht te gaan betalen
Reeds daags na d'aankomst afging halen
Fluks was ik dus met 't lossen klaar
Doch tegen wind hield mij nog daar
En 'k zag met ach zoo lange dagen
Daar op de zee mijn reis vertragen
Schoon mij de tijd zoo kostbaar was
Om 't ij in Ruslands waterplas
Nog voor dat het zich vast ging leggen
Weer goed belaan vaarwel te zeggen
Dus haast te maken zeide ik vaak
Is thans vooral de grootste zaak
Nyu 't ging aldra met volle zeilen
Naar lust en zin weer voorwaards eilen
En schoon 't niet overvlug mogt gaan
Blonk Kroonstads toren ons toch aan
Den tienden dag na wij de Haven
Van Koppenhage 't afscheid gaven
Nu was dees barre reis bestuurd
Schoon 't Zestig dagen had geduurd
Nu dat ik van Italies Oorden
Mij zag verplaatst aan Ruslands boorden
Waar 'k zonder last de middagzon
Van warmte best verdragen kon
Nu alles bij de hand genomen
Om spoedig weer van daar te komen
Want 't werd al duchtig vingerkoud
Dus lang was men er niet betrouwd
Of men zou spoedig ondervinden
Hoe 't ijs zelfs 't grootste schip kan binden
Dus haast te maken was de leus
En in ons lot de eenige keus
Maar om met Rusman spoed maken
Daar zal men moeilijk klaar mee raken
Wat drijfveer dat gij hem laat zien
Geen kroon Rus zal uw bijstand bien
Dit volk heeft tijd wat meed're dagen
Hoopt hij zijn luije lijf te dragen
Daarom wat of ik sloofd' of liep
Een fooijen kracht te hulpe riep
't Was alles lak de Amptenaren
Verkozen langzaam voort te varen
Hun loomheid bleek in elke zaak
't Zijn in een groot of kleine taak
Acht dagen moest ik eerst verliezen
Voor dat mijn stukgoed en mijn vliezen
In eenen ligter was gedaan
Toen koos mijn schip eerst verder gaan
De stoomboot trok mij met mijn steenen
Na Petersburg mijn losplaats henen
Waar ik dien zelfden dag verscheen
Schoon 't ijs niet van mijn dek verdween
En 't water zich reeds zaam ging wellen
Om zich tot eene dam te stellen
Toen 'k dit aanschouwde zonk mijn moed
Want wat ik deed ik zag geen spoed
Waar of ik kwam bij Ambtenaaren
Of Heeren die mijn kooplien waren
't Was alles een geen een van al
Die voorwaarts wou in mijn geval
Of schoon 'k de Zware Marmer steenen
Niets zelfs moest lossen maar degenen
Wiens eigendom het werkelijk was
Scheen hun die arbeid al te kras
Ja had ik niet op mij genomen
Om wat er ook van moge komen
'Deez werkzaamheden zelf te doen
Dan had nog in geen Jaar Saisoen
De loome Rus mij leeg gaan maken
Zoo staan aldaar de handel zaken
Van spoed weet niemand daar iets van
Zoo min der Heer als sjouwerman
En moet men lossen 'k durf het zeggen
Daar kunt g'uw bij tot slapen leggen
Slechts met het laden gaat het goed
Omdat het land daar niets aandoet
Toen eind'lijk 't schip toch was ontladen
Liet ik mij door het weder raden
Wat 't beste was wat ik bezon
Dat 't ijs wel spoedig komen kon
Zoo dat geen schip meer weg kon komen
Daar 't vast bleef zitten op de stroomen
'k Nam dus een laading rogge aan
Om mee naar Amsterdam te gaan
Mits dat men groote spoed ging maken
Om voor den winter weg te raken
Nu hiertoe was men dra bereid
En groote spoed mij toe gezeid
Dra ving ik aan in weinige stonden
Zoo vlug als wij 't maar klaren konden
Had 't schip de diepte van den bank
Toen gaf 'k mijn koopman grooten dank
Voor zijnen vlijt daar 'k nu mogt hopen
Nog voor de winter uit te lopen
En weg te zijn voor dat het ijs
De scheepvaart nam voor goeden prijs
Nu liet 'k mij door de stoomboot halen
Om toxh niet met den tijd te dralen
Maar spoedig van de stad te zijn
Want 't weder werd geduchtig fijn
En toen 'k de trotsche stad zag dalen
Toen dacht ik nu kan het niet falen
Nu krijgt het ijs mij niet meer vast
Want 'k ben dan lang al uitgekrast
En wij zijn van de zorg ontheven
Hier in dit barre land te leven
Een glad en frische Oostewind
Voert on na huis waar men ons mind
Schoon komende op Kroonstads reede
Kon 'k haast niet meer binnen gaan
Zoo meerderde het drijfijs aan
De gansche ree was vol met schepen
Die allen naar hun roeren grepen
Om zee te kiezen doch het ijs
Bedroog de koenste handelwijs
Wat moeite ieder ook bestede
De vele schepen op de rede
De tegenwind met ijs gepaard
Belemmerde hun allen vaart
Juist toen de vorst zoo veld ging winne
Kreeg ik mijn schip de haven binnen
Door stomp geluk en overleg
Want 'k schrijf de waarheid als ik zeg
Dat ik volstrekt niet dorst te hopen
Dat mij mijn werk zoo mee zou lopen
't Was s'morgens vroeg 'k lag ver van 't hoofd
Wel had de stoomboot mij beloofd
Het schip tot 't havenhoofd te slepen
maar d' avond en de vele schepen
Niet trouwende liet hij mij gaan
Nog ver beneden d' Oorlogskraan
Dus 't was te ver om te verhalen
'k Ging daarom daad'lijk zonder dralen
Naar d' eerste sleepboot dien ik vond
En vroeg of hij mijn schip terstond
Door al dat mastbosch van de schepen
Naar 't koopvaardij gat toe wou slepen
Na dat 'k mij leg plaats had gemeld
Scheen hij wel op dat werk gesteld
Doch 'k vroeg de prijs die 'k moest betalen
Als hij mijn schip daar weg ging halen
Slechts veertig Roebel zei de vent
Is 't vaste loon aan elk bekend
Door wien stoomboot wordt genomen
Toen schrok ik voor dat eindje stoomen
Zoo 'n massa geld 'k bood halve aan
Doch 't gaf mij niet hij liet mij staan
Toen ging 'k na boord maar ontevreden
Want ' wou die som nog niet besteden
Toch ziet daar lag de wind zich neer
En ook de stroom nam eenen keer
Zoo dat ik daad'lijk zonder dralen
Mijn anker uit de grond ging halen
En 't schip voorzigtig drijven liet
Opdat het aan geen and're stiet
'k Dreef met het ijs en door de schepen
Ik had 't bedroefd en ook gewaagd
En was volkomen goed geslaagd
Schoon 't was mijn zaak want half beladen
Was mij de spoed wel aan te raden
En d' and're schepen van de ree
Die waren allen klaar voor zee
't Was d' Ooste wind waar zij na smachten
En dezen deed hun allen wagten
Zoo dra ik in de haven lag
Won 't vriezen veld van dag tot dag
Men zag reeds volk van heele hoopen
Op 't midden van de haven lopen
En waar men tuurde van den top
't Was alles ijs geen enkeld slop
Nog was 't niet dik maar alle schepen
Die binnen waren die begrepen
Dat als het niet weer open ging
Dan weer 't een overwinning
Dit zag ik ook maar half beladen
Wat was mij nu wel aan te raden
Zoo weg te gaan met het losse zaad
Daartoe was 't vaartuig niet in staat
Daar ik liet bedaard de zaken lopen
En bleef op open water hopen
Daar kreeg 'k een brief mij werd gemeld
Dat 't koren 't welk ik had besteld
In Petersburg was vast gevroren
Dus schreef men 't is voor u verloren
Zoek nu maar vracht of koop maar graan
Zoo als u dunkt dat 't best zal gaan
Daar zat ik. - wat zou 'k toen beginnen
'k Ging naar 't kantoor om raad te winnen
En ziet daar trof ik iemand aan
Wan wien 'k eens kon laden gaan
Schoon regt verblijd toch draald' ik even
Voor dat ik hem mijn woord ging geven
Want 't bod der vracht was veel te min
Maar wat te doen ik zat er in
't Was d' eenge man van wien 'k kon laden
En toe te slaan was mij geradem
Dus ik het d' and're dag ontving
Dit werd beloofd maar Godes zaken
Wat kan den sterf'ling daar aan maken
De felle vorst brak 's koopman woord
En 'k kreeg mijn rogge niet aan boord
Eerst na verscheiden dagen tijd
En rusteloosze aan gewende vlijt
Kon ik het schip geladen krijgen
Toch toen ging ook mijn hoope zwijgen
Om voor den winter weg te gaan
Want daag'lijks won het ijs veld aan
Slechts weinig schepen die het waagden
En in hun dolle poging slaagden
Om door hun vlijt en kracht van geld
Na zee te komen met geweld
Slechts twintig schepen gingen varen
Van al die massa die er waren
Nu zou een elk zoo wat 't besluit
Maar niemand waagde schip en huid
't Was ook geen doen want zij die slaagden
En roekeloos hun leven waagden
Zijn meest met man en muis vergaan
Slechts weinige kwamen veilig aan
En dertien moesten wederkeeren
Na zware stormen te braveren
In 't ijs en in 't gezigt der stad
Waar 't schip aldra bevroren zat
Nu was geen uitkomst meer te hopen
Reeds langs de reede kom men lopen
En 't ijs was buiten op de ree
Een half voet dik op 't dunste stee
Van dag tot dag ging 't feller vriezen
Zoo dat 'k een schuilplaats moest gaan kiezen
Voor mij en voor mijn volk met een
Want anders vroren onze leen
Ontblood van vuur zoo als wij waren
Kon geen mensch aan boord meer klaren
Want volgens Ruslandsch wreede wet
Is er een zwaar verbod gezet
Geen vreemde die aan boord mogt stoken
Zelfs durft men er geen pijp te rooken
Maar d' oorlog schepen hebben vuur
Daar heeft de vlam niet die natuur
Die hij verspreid op vreemde schepen
Ten minste zoo heb ik 't begrepen
Zoo 'k zeide 'k zocht mij dus een huis
Want dood te vriezen was een kruis
Waar aan ik mij of mijn gezellen
Niet mot of wilde bloot gaan stellen
Reeds was het ziekenhuis bezet
Door vreemdelingen die de wet
Der Rus zich zonder vuur te stellen
In hand of voet het bloed deed stelpen
Zelfs een van mijn bemanning kreeg
Van deze kwaal een kleine veeg
Zoo dat hij binnen weinig dagen
Naar 't ziekenhuis moest weg gedragen
Schoon hij werd spoedig weer hersteld
Wijl niet hem later heeft gekweld
't Was vorst en toen dit was verdwenen
Had hij weer twee gezonde benen
Niet zoo gelukkig zag 'k daar een
Het was een Franschman zoo ik meen
Die moest niet slechts zijn hand en voeten
Maar zelfs zijn leven daartoe boeten
Die arme jongen! 't was een kind
Wie weet hoe 't huis door elk bemind
Met blaauw bevroren hand en benen
Lag hij van pijn en angst te weenen
Ik zag hem leggen maar mijn hart
Kroop mij in een door stille smart
Ook ik was eens zo jong gaan varen
Maar Gode bleef mij steeds bewaren
'k Was zeer met dezen knaap begaan
Zoo dat ik voelde dat een traan
Van medelijden en meedogen
m' Ontsnapte zoo was ik bewogen
Hij stierf nog voor de doctor kwam
En hem zijn jonge leen ontnam
Gelukkig want zijn hand en voeten
Had hij toch altijd moeten boeten
Ik zocht mijn kamers maar wat raad
Die vond men niet in d' eerste straat
Daartoe moest men in alle hoeken
Wel met een licht en Roebels zoeken
Ik nam dus eene taalsman aan
Die op mijn tochten mee kon gaan
Wan t honderden van schepelingen
Die net als mij de nood ging dringen
Verdrongen zich om toch met spoed
Iets te doen en 't slechtst werd goed
Zoo ging ik meenig huis bekijken
Of stand en huur mij ook kon lijken
Maar meestal was de Rus te wijs
En vroeg een ongehoorde prijs
Ja voor versmeerde varken hokken
Of onderaardsche kelder brokken
Vijf hondert Roebel zonder dat
Men dan nog hout of water had
Ook waren 't dan maar drie vertrekken
Geheel in staat u op te wekken
Van te geloven dat men daar
In 't tuchthuis zat zoo doodsch en naar
Na echter veel en vrucht'loos zoeken
Vond ik in een der verste hoeken
Van Kroonstad eind'lijk toch een huis
Geschikt voor 't volk en mij tot kluis
Ook hoefde ik mij niet te beklagen
Dat men te veel voor huur ging vragen
Want wijftien Roebels Russisch Geld
Moest maand'lijks worden uitgeteld
Wel woonde ik ver van schip en haven
En moest ik wel een half uur draven
Als ik mijn schip eens nazien wou
Doch dat was niets, er waakte trouw
Een Rusman bij, die barre nachten
En kou en sneeuw niet scheen te achten
Want hij stond pal den winter door
Voor vijftien Roebels hoet 't ook vroor
Al ras was ik en mijn gezellen
In huis waar vorst nog kou kon kwellen
Nu moet een elk zijn bedstee slaan
Want Rusman stoort zich daar niet aan
Men vindt daar nergens verblijven
In Neerland: 't grootste der gerijven
Slechts naakte wanden huurd men daar
Geen enkele kast men moet die waar
Maar alles voor zich aan gaan kopen
Schoon men 't bij 't weggaan weg mag sloopen
Na eenge dagen was het klaar
En leefden wij daar met elkaar
Als uitgedreven bannelingen
Geheel omringt door Russche kringen
Doch spoedig kwam er eene vloot
Dien ik op vijftig heb begroot
Meest lands'lien d' Oorlags haven binnen
Vluks ging ik m' eenge vrienden winnen
Geheel met mij in 't zelfde lot
Dus dit gaf ons een groot genot
Wel drukte mij den wensch naar 't land
Waar 'k voor 'k vertrok mijn huw'lijks band
Had vast gestrikt maar wat kon 't baten
Mijn wenschen gaven mij slechts spot
En maakten m' ontevreen met 't lot
Nu wij daar toch bevrozen zaten
't Was 't beste dus om zonder klagen
Die wreede scheiding te verdragen
En daag'lijks maar mijn best te doen
Dien wensch door mijmring niet te voen.
In vriendschap met mijn lotgenoten
Onkreukbaar aan elkaar gesloten
Zocht en ook vond ik voor mijn lot
Een dragelijk schoon wild genot
Dat dit wat wild was laat zich hooren
Daar wij als 't waar op zee gebooren
Steeds zwervende van stad tot stad
Geen rust ooit leerden 't welk ons dat
Wij daar den winter vrolijk waren
Wis voor verwijtingen zal sparen
Wel hielden wij steeds ons fatsoen
Zoo als men overal zou doen
Maar over enk'le drinkgelagen
Kwam wel eens d' and're morgen dagen
Zoo kwamen wij den winter door
Wijl geen van ons zijn lust verloor
Te vreen met 't lot aan ons geschonken
Bleef levenslust ons hart ontvonken
Te meer daar in mijn vriendenkring
Geen ziekte of pijn zich nes'len ging
Zoo gingen er zes volle maanden
Die spoediger dan wij eerst waanden
Verstreken waren daar voorbij
Doch iedereen was innig blij
Toen 't ijs al meer en meer ging kwijnen
Om straks geheel te gaan verdwijnen
Steeds daag'lijks kreeg de zon meer magt
En roofde 't ijs van zijne kracht
Zoo dat in 't laatste der maand April
De schepen allen nog wel stil
Maar toch geheel reisvaardig lagen
Om zich weer op de zee te wagen
't Was negen mei toen smeed ik los
Mijn voor en achter kabeltros
En heesch ik lustig mijne zeilen
Om fluks naar 't Vaderland te ijlen
En ieder ging nu voor en na
De haven uit zoo dat er dra
Van al de schepen die daar lagen
Geen twintig meer hun ligplaats zagen
De wind was goed een mooije bries
Die tot een gladde koelte wies
Deed dat wij Kroonstads gouden toren
Zeer spoedig uit 't gezigt verloren
En na vier dagen was ik weer
Voor Elseneur op 't Sondschemeer
Verrukt ging ik mijn vrouw toen schrijfven
Dat zoo die wind mij bij mogt blijven
Ik dan gewis in korten tijd
Mij aan haar zeide had gevleid
Doch spoedig ging die hoop verloren
Zoo vlug te varen 't was beschoren
Dat ik nog veertien dagen tijd
Hoe ook mijn boesem heeg van spijt
Moest zwerven op de Oceaan
Eer ik op Neerlands grond mogt staan
Geen mensch die 't niet heeft ondervonden
Beseft mijn vreugd der eerste stonden
Die ik genoot toen 'k op den grond
Van 't mij zoo dierbaar Neerland stond
En eenen brief mijn vrouw ging zenden
Zich toch met spoed tot mij te wenden
O welk een vreugd genoot mijn hart
Toen 'k na die lange scheidings smart
Die meer dan vijftien maanden duurde
Mijn vrouwtje weer in d' oogen tuurde
Neen niemand die 't niet ondervond
Weet welk een blijdschap zulk een stond
Den armen zeeman wordt gegeven
Als hij zijn dier'bren nog in 't leven
En in gezondheid weer mag zien
Dan kan een traan zijn oog ontvlien
Van ware vreugd en al zijn lijden
En zorgen laat hij van zich glijden
Hij denkt er niet het minste aan
Dat hij weer spoedig weg zal gaan
En dankbaar heft hij 't hart naar boven
Om God voor zijn gena te loven
Zoo kwam ik dus in Neerland aan
En had mijn reis weer afgedaan
Ik sluit dus 't vers met vrij te zeggen
'k Hoop nooit weer zoo in 't ijs te leggen.

1857 - H.H.

(1) Kroonstad = Kronstedt (Russisch: Kronshtedt) Russische Marinebasis en handelshaven op een eiland in de Finsche Golf, 23 kilometer ten westen van St. Petersburg (het vroegere Leningrad)

Het afschrift van het orginele manuscript werd welwillend in bruikleen terbeschikking gesteld door P.C. Knopperts, een achter-achter kleinzoon van de schrijver.

E-Mail: rudolpho@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 16 maart 1997

Coster-pagina