P.C. Hooft

Schoon Nimfelijn

Schoon Nimfelijn, ach kindje mijn, wat zoude ik al vercieren
Om, naar mijn wensch, dees ledetjens zoo welgemaakt te sieren!
Met blinkend goud of perlen zoudt gij voelen ras belasten
Uw halsje zoet, dat kraal als bloed daarom niet beter pasten.

Ik zoude u kleên, met keursjes reên, van lichte verwen blijdtjes.
Die zouden staan geschilderd aan uw breedachtige zijdtjes;
Uw voetjes mit haar schoentjes wit, daar in geval bij 't bokken
Het inkarnaat zoo wel bij staat van hoosjes net getrokken.

Uw armpjes meê, zoo wit als snee, zoude ik koraal om schikken.
Deez' vlechtjes blond op nieuwen vond zoude ik u leeren strikken.
Met snoertjes veel, nu groen, nu geel, bij lodderrijke beurtjes.
Voor waatren 't haar, of kruiven 't daar, en duizend zoete leurtjes.

't Perruikje zou ik trekken, nou wat laagjes, dan wat hoogjes;
En, als het klaar gefutseld waar, mij spieglen in uw oogjes;
Dan werpen ligt nu mijn gezigt op 't eene, nu op 't ander;
Dan nemen taaam hoe 't altezaam zou voegen bij elkander.

Indien dat gij uw oogjes blij en liefelijke zeden,
Zoo vreugderijk, zoo vriendelijk, zoo vol bevalligheden,
En uw aanschijn, vernoegd, tot mijn dan met een lachje wendde';
Zoo zoude ik, hiel in u, mijn ziel gaan metter wone zende'.

En als ik wat belonked had den brand van alle knechtjes,
Uw zedetjes, uw ledetjes, uw fraai getooide vlechtjes:
Zoo zoude ik streng met armen eng, uw jente lijfje prangen,
Tot ik daaruit kreeg, buit om buit, uw zieltje weer gevangen.

De verwe van mijn lippen, an uw wangjes zoude ik plekken;
Door zoentjes zacht, en met haar kracht, uw ziel te mond uittrekken.
Ik wed, ik weet, gij dan beleedt dat niemand van uw zusjes,
Daar gij verblind nu smaak in vindt, gaf ooit zoo zoete kusjes.