De IIIe Psalm.

P.C. Hooft

Hoe groot is Heer t getal
Van die hen om ten val
Te brengen mij verkloecken?
En trachten mijn gemoedt
Door list te maecken vroedt,
Dat God ver is te soecken.

Maer ghij zijt heer mijn schildt
Ter eeren ghij mij tilt
En 't hooft recht op doet draeghen.
Mijn stem jck heffen op
Wil, dat hij van den top
Van Sela' aenhoor mijn claeghen.

Ick heb geslaepen vast
Nochtans geen overlast
En heeft mij kunnen raecken.
De zorghe van mijn Godt
Voor mij gewaeckt heeft, tot
Den tijdt van mijn ontwaecken.

Oft honderd dujsent man
Mij oock besetten dan,
Ick soud' 'es mij niet kreunen.
Maer met een onbelaên
Gemoedt, God roepen aen,
En op sijn bijstandt steunen.

Op Heer; voor mij te veldt;
Verplet met uw geweldt
De krujnen der vijanden.
Val aen, Heer. Heer val aen
En wilt aen stucken slaen,
Hun scharpe wollefstanden.

Waer men sich onderwindt
Te soecken hulp, men vindt
Daer geenen, die te deeghen
Kan strecken, als bij hem
Die door een enckle stem
Het volck vervult met zeghen.

Overgenomen uit: Gedichten van P. Cz. Hooft. Eerste volledige uitgave. Gedeeltelijk naar des dichters eigen handschrift, met aanteekeningen van P. Leendertz Wz. Eerste Deel. Amsterdam, P.N. van Kampen, 1871. p. 279-281.
HTML: Marc van Oostendorp, februari 2000.

Aantekeningen (van P. Leendertz): Volgens hs. A. Taal en spelling bewijzen, dat deze psalm na februarij 1622, en voor november, misschien voor julij 1623, gedicht is en dat hij waarschijnlijk nog tot het eerstgenoemde jaar behoort. — Hen - vercloecken, zich beijveren, hun best doen. — Te maecken vroedt, wijs te maken, te overreden. — Sela, Hooft zag dit voor den naam van eenen berg aan. — Onbelaên, onbezorgd.

[Meer psalmvertalingen, -berijmingen en bewerkingen]