Psalm CXIII.

P.C. Hooft

Ghij, die u voelt getoghen tot
Den dienst van onsen grooten God,
Heft aen met zangerighe zielen,
Niet met den mondt alleen verbrejdt
Zijn lof, voor welkes Majestejt
Dat alle schepsel heeft te knielen.

In 't looven van den hejlighdom
Zijns naems, zij nemmer eeuwe stom;
Strij ujr met ujr om hem te eeren.
Van daer de Zon ten hemel vaert
Tot daer zij wentelt nederwaert,
Brall' ende bromm' de roem des Heeren.

De volken vol van overmoedt
Kan hij vertreên met eenen voet
Hoogh over hem is hij gezeten.
De geen die nemen kon de maet
Hoe verre zuid van noorden staet,
Zoud' noch zijn' eer niet konnen meeten.

Wat is 'er onsen God gelijk
Die, wt den top van Hemelrijk,
Dat hij bewoont als heil der hejlen,
De vloer alleen niet van dat hof
Maer ook de diepte van de stof
Des aertrijx, met zijn óógh kan pejlen?

Hij heffend' ujt het slijk en zandt
Den armen en den kleenen, plant
Hen aen der groote vorsten zijde.
D' onvruchtbaer' huisvrouw afgemat
Van troosteloosheit, geeft hij, dat
Een zuigeling haer' borst verblijde.

Overgenomen uit: Gedichten van P. Cz. Hooft. Eerste volledige uitgave. Gedeeltelijk naar des dichters eigen handschrift, met aanteekeningen van P. Leendertz Wz. Eerste Deel. Amsterdam, P.N. van Kampen, 1871. p. 279-281.
HTML: Marc van Oostendorp, februari 2000.

Aantekeningen (van P. Leendertz): Deze en de twee volgende psalmen volgens een hs. uit dien tijd, echter niet van Hooft zelven, in bezit van den heer mr. J.A. Grothe. De spelling komt meestal, maar toch niet in allen deele met die van Hooft overeen, en is daarom hier en daar veranderd. Gedrukt in alle uitgaven der Gedichten. Hooft spreekt in den zijnen 122en brief van 20 januarij 1626 van twee of drie psalmen omstreeks dien tijd door hem berijmd. Of het deze of de voorgaande zijn, blijkt niet. De spelling echter in het hs. komt het meest overeen met die van Hooft in 1626 en 1627 en ik heb daarom gemeend ze hier te moeten plaatsen. De CXIIIe psalm is opgenomen in Davids Psalmen, in 't Nederduits berijmd. Haarl. 1713. — Getoghen, getrokken. — Zijn lof, voor welkes Majestejt, den lof voor hem, voor wiens majesteit. — Den hejlighdom zijns naems, zijnen naam, die heilig is. — Ten hemel vaert, naar den hemel gaat, opgaat. — Heil der hejlen, het heilige der heiligen.

[Meer psalmvertalingen, -berijmingen en bewerkingen]